Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
07-2357 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Terughoudende maatstaf bij rechterlijke toetsing van scores voor de in geding zijnde criteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2357 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 april 2007, 05/1146 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] (hierna: college)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Boiten, advocaat te Zwolle, en drs. K.J. Vos en G. Hilbrands, beiden werkzaam bij de gemeente [naam gemeente] (hierna: gemeente).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant vervult in de gemeente de functie van secretaris van de commissie voor bezwaar en beroep ten behoeve van de afdeling Sociale Zaken. Hij wordt bezoldigd naar functierang GA9.

1.2. Op verzoek van appellant is van zijn functie een nieuwe beschrijving opgesteld, op basis waarvan met toepassing van de Procedure-regeling functiewaardering gemeente [naam gemeente] 1994 en het ODRP-functiewaarderingssysteem 1992, de functie is gewaardeerd op hoofdgroep IV met 10 punten voor de zogenoemde secundaire factoren (hierna ook: criteria). Voor de criteria functionele vorming, handelingsvrijheid en keuzemogelijkheden zijn daarbij respectievelijk 2, 2 en 3 punten toegekend. De functie is ingedeeld (gebleven) in functierang GA9. Na bezwaar heeft het college dit besluit gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit), zij het dat voor het criterium handelingsvrijheid een score van 3 punten is toegekend, zodat de functie is gewaardeerd op hoofdgroep IV met 11 punten voor de secundaire factoren.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep uiteengezet dat hij het onjuist acht dat de rechtbank zijn beroep met betrekking tot de onder 1.2 genoemde criteria ongegrond heeft verklaard. Hij is van opvatting dat de score voor elk van die criteria moet worden bepaald op 4 punten, zodat de waardering uitkomt op hoofdgroep IV met 15 punten voor de secundaire factoren, hetgeen leidt tot indeling in functierang 10a. Daarmee zou die waardering zijns inziens terecht gelijk zijn aan die van de secretaris van de Algemene commissie voor bezwaar en beroep in de gemeente.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Hij stelt met betrekking tot de rechterlijke toetsing van de scores voor de in geding zijnde criteria voorop dat de rechtbank de juiste, terughoudende maatstaf heeft aangelegd. Hij volstaat met verwijzing naar zijn uitspraak van 10 februari 2000,

LJN AA5182 en TAR 2000, 49.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met betrekking tot de score voor het criterium functionele vorming op goede gronden overwogen dat het (beperkte) werk-terrein van de functie en het ontbreken van leidinggevende taken in de betekenis van het ODRP-systeem geen verdergaande functionele vorming vergen dan tot uitdrukking wordt gebracht met een score van 2 punten. Er zijn immers onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat voor een normaal goede vervulling van de functie naast de uit de hoofdgroepindeling voortvloeiende ongeveer 3 jaar niet meetellende ervaring, meer dan

2 jaar (extra) school- en / of praktijkopleiding is vereist. Het standpunt van het college dat binnen die ongeveer 5 jaar voldoende kennis en ervaring kan worden opgedaan op het gebied van de toe te passen wetgeving en op andere vakgebieden, acht (ook) de Raad niet onhoudbaar. Uit de functiebeschrijving kan niet worden afgeleid dat van de secretaris zelfstandige kennis op het gebied van de accountancy vereist is. Waar onbestreden is dat voor het criterium leidinggeven 0 punten worden gescoord, kan waardering van kennis die nodig is om leiding te kunnen geven, achterwege blijven.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellant met een score van 3 punten voor het criterium handelingsvrijheid niet tekort is gedaan. Anders dan appellant stelt, kan uit de functie-beschrijving niet worden afgeleid dat de beoordeling / toetsing van appellants werk of werkresultaat slechts kan plaatsvinden op grond van uitwerking in de praktijk. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de secretaris, die geen lid is van de commissie voor bezwaar en beroep, niet mede verantwoordelijk is voor de inhoud van een advies. Dat volgt ook niet uit het voorschrift dat de secretaris een advies samen met de voorzitter ondertekent.

4.4. De rechtbank heeft eveneens op goede gronden geoordeeld dat de functiebeschrijving geen basis biedt voor het standpunt van appellant dat het tot de taak van de secretaris behoort nieuwe oplossingen te ontwerpen in de sfeer van beleid. De door appellant ter zitting gegeven voorbeelden van notities die hij enkele keren per jaar schrijft, betreffen oplosingen voor problemen in de uitvoeringssfeer. Zij liggen niet in de sfeer van beleid, waarvan, blijkens het ODRP-systeem, kenmerken zijn: visie ontwikkelen voor langere termijn, breed terrein, grensoverschrijdend naar andere vakdisciplines. De weigering van het college om voor het criterium keuzemogelijkheden een score van meer dan 3 punten toe te kennen, acht de Raad dan ook zeker niet onhoudbaar.

4.5. Met betrekking tot het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat zijn functie op het zelfde niveau gewaardeerd behoort te worden als de functie van de secretaris van de Algemene commissie, overweegt de Raad dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat hier geen sprake is van gelijke functies. De afwijzing door het college van het beroep op het gelijkheidsbeginsel vindt verder steun in het ODRP-systeem, dat niet is gebaseerd op vergelijking van functies. Tot slot is niet aannemelijk gemaakt dat het college dat systeem inconsistent heeft toegepast.

5. De Raad komt op grond van het bovenstaande tot de slotsom dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD