Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
06-4853 WAO + 06-4955 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juiste medische grondslag? Alsnog toereikende arbeidskundige onderbouwing in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4853 WAO en 06/4955 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2006, 05/3435 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv

Datum uitspraak: 20 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv en betrokkene hebben hoger beroep ingesteld.

Het Uwv en betrokkene hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008.

Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Coppens, advocaat te Amsterdam. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.F. Bergman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar van 14 september 2005 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit tot herziening van de WAO-uitkering van betrokkene per 16 mei 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 september 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts zijn beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht genomen.

1.3. De rechtbank is, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat hetgeen betrokkene heeft aangevoerd niet tot het oordeel leidt dat het besluit van 14 september 2005 niet op een toereikende medische grondslag berust. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit van 14 september 2005 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat deze ondeugdelijk is.

2.1. Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag van het besluit van 14 september 2005 geen gebreken vertoont.

3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van betrokkene afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt daaraan het volgende toe. De door betrokkene bij brief van 8 november 2006 ingezonden brief van de neuroloog

W.G. Strack van Schijndel-van Hanswijk bevat geen relevante informatie die niet reeds bekend was. Deze arts komt tot de door het Uwv niet bestreden conclusie dat bij betrokkene sprake is van chronische vermoeidheid. Uit deze brief volgt echter geenszins dat deze arts van opvatting is dat de beperkingen die in verband hiermede door het Uwv zijn aangenomen onvoldoende vergaand zijn.

Dit onderdeel van het hoger beroep treft mitsdien geen doel.

3.2. Het Uwv bestrijdt niet langer dat, gelet op de inmiddels door de Raad gevormde jurisprudentie, de arbeidskundige grondslag van zijn besluit van 14 september 2005 niet juist is en erkent dat zijn hoger beroep niet slaagt. Het Uwv verzoekt de Raad echter de rechtsgevolgen van het besluit van 14 september 2005 geheel in stand te laten. Naar zijn mening heeft hij met de rapportage van de arbeidsdeskundige van 28 december 2006 alsnog op voldoende wijze toegelicht dat de betrokkene voorgehouden functies voor haar geschikt zijn.

3.3. De Raad deelt de in overweging 3.2 weergegeven opvatting van het Uwv. In de rapportage van de arbeidsdeskundige van 28 december 2006 is alsnog op voldoende wijze inzichtelijk gemaakt dat de belasting in de voorgehouden functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt.

De stellingen van betrokkene dat zij de door het Uwv voorgehouden functies niet kan vervullen zijn gebaseerd op het niet door de Raad gedeelde uitgangspunt dat betrokkene meer is beperkt dan door het Uwv is aangenomen en leiden mitsdien niet tot een ander oordeel.

3.4. Er bestaat mitsdien aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van

14 september 2005 in stand te laten.

3.5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is opgedragen een nieuw besluit te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 14 september 2005 geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL