Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
07-420 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang. Woonvoorziening. Verzoek om herziening. Geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/420 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 november 2006, 05/1232, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader, [naam vader], hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Voor appellant is zijn vader verschenen, bijgestaan door mr. H.J. van Abbema. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Horstmanshoff, werkzaam bij de gemeente Meppel.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft het College op 27 december 2001 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) verzocht om een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing.

1.2. Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het College appellant meegedeeld, dat onder toepassing van de hardheidsclausule (artikel 36, tweede lid, van de Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Meppel [hierna: Verordening]) de aanvaardbare kosten voor de door appellant gevraagde woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van een bijgebouw bij de ouderlijke woning overeenkomstig de beoordeling door haar adviseur Chambers Consultancy te Den Dungen (hierna: Chambers) voorlopig zijn vastgesteld op € 72.479,60 inclusief BTW. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt door appellant.

1.3. Op 17 januari 2005 heeft de vader van appellant een ambtenaar van de gemeente Meppel mondeling gevraagd om (nadere) informatie over de wettelijke regels waarop de correcties berusten die Chambers in neerwaartse zin heeft aangebracht op de door appellant ingediende begroting van de aannemer [aannemer]. Het College heeft dit opgevat als een verzoek om zijn besluit van 27 mei 2004 te heroverwegen.

1.4. Bij besluit van 23 maart 2005 heeft het College dit verzoek afgewezen.

1.5. Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2005 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naar voren heeft gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant met zijn op 17 januari 2005 gedane verzoek nooit heeft beoogd om een besluit van het College te verkrijgen, zodat hij naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te honoreren belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 5 oktober 2005.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat het College hem destijds niet heeft geïnformeerd over het bestaan van de Verordening. De Verordening, die uitgaat van een vergoeding van 100% van de werkelijk gemaakte kosten, is door het College in de visie van appellant niet juist toegepast. Doordat een deel van de informatie over de gevraagde woningaanpassing van het College afkomstig was en een ander deel van Chambers wist appellant ten tijde van de besluitvorming in 2004 niet meer waartegen nu wel en waartegen geen mogelijkheid van bezwaar openstond.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Procesbelang

4.1.1. Enkel het feit dat appellant met zijn op 17 januari 2005 gedane verzoek om informatie niet heeft beoogd een besluit uit te lokken, vormt onvoldoende reden om aan te nemen dat hij geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het naar aanleiding van dat verzoek door het College genomen besluit van 23 maart 2005, dat is gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2005.

4.1.2. Er is sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een beroepsschrift met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.1.3. Bij het na bezwaar gehandhaafde besluit van 23 maart 2005 heeft het College geweigerd het besluit van 27 mei 2004 in voor hem gunstige zin te herzien. Uit het bij de rechtbank ingediende beroepschrift blijkt dat appellant zich op het standpunt stelt dat dit besluit wegens strijd met de Verordening niet gehandhaafd kan worden en hij heeft daarom om vernietiging van dat besluit verzocht. Gelet hierop is er voldoende procesbelang, zodat de rechtbank het beroep ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

4.1.4. De Raad is van oordeel dat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft en zal deze daarom op grond van artikel 27 van de Beroepswet zelf afdoen.

4.2. Beoordeling beroep

4.2.1. Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het College op een aanvraag van appellant om een woonvoorziening de kosten hiervan voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 72.479,60. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

4.2.2. Het College heeft bij het besluit op bezwaar van 5 oktober 2005 aan appellant meegedeeld dat heroverweging van het besluit van 27 mei 2004 niet tot een andere uitkomst heeft geleid, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb naar voren heeft gebracht.

4.2.3. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk een geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Een ruimere wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.

4.2.4. Gelet op dit beperkte toetsingskader is niet relevant waarom appellant destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 27 mei 2004. Evenmin is van belang of dat besluit met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en of daarbij de toepasselijke regels juist zijn toegepast.

4.2.5. Appellant heeft als nieuwe feiten aangevoerd de Verordening, waarvan hij ruim na het besluit van 27 mei 2004 op de hoogte is geraakt, en de onjuistheid van het destijds door Chambers gegeven advies. Die onjuistheid is appellant pas gebleken, nadat hij op de hoogte was geraakt van de toepasselijke regelgeving.

4.2.6. De Verordening is niet aan te merken als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De Verordening was in werking ten tijde van het besluit van 27 mei 2004 en appellant had van de inhoud van die verordening redelijkerwijs kennis kunnen nemen. De beweerde onjuistheid van het advies van Chambers kan de Raad evenmin aanmerken als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Appellant voert hiermee een nieuw argument tegen het besluit van 27 mei 2004 aan dat hij eerder, in een bezwaarprocedure tegen dat besluit, naar voren had kunnen brengen. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 27 mei 2004.

4.2.5. Uit de overwegingen onder 4.2. tot en met 4.2.6. volgt dat het beroep van appellant ongegrond is. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) S.R. Sharma.

IJ