Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
07-3566 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vollegrondsgroentebedrijf. Niet, niet juist of niet volledig aan de verplichtingen van loonopgave heeft voldaan. Correctienota's. De (meldingen) dienstverbanden van de betrokkenen werknemers voldoen niet aan de voorwaarden van de Besluiten Gelegenheidsarbeider.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3566 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 april 2007, 06/1930 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juli 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.M. de Jager, werkzaam bij Linssen cs Advocaten te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die ten tijde hier van belang luidden.

Appellante drijft een vollegrondsgroentebedrijf. Ten behoeve van de aspergeoogst heeft zij tijdelijke medewerkers aangetrokken. Tijdens een boekenonderzoek dat is gestart op 24 februari 2004, is naar voren gekomen dat appellante niet, niet juist of niet volledig aan de verplichtingen van loonopgave heeft voldaan. Dit heeft geresulteerd in correcties over de jaren 2000 tot en met 2002, en verdere correcties over de jaren 2001 tot en met 2003. De facturen heeft gedaagde appellante op 21 juni 2006 doen toekomen. Bij beslissing op bezwaar van 4 oktober 2006 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 juni 2006, ongegrond verklaard.

In bezwaar en beroep is door appellante aangevoerd dat zij door de seizoensgebonden aard van haar bedrijf aanspraak maakt op premiereductie op grond van het Besluit Gelegenheidarbeiders sector Agrarisch bedrijf (GWL-regeling). Voorts vraagt appellante zich af of bij de bestreden beslissing op bezwaar wel rekening gehouden is met het nieuwe Besluit Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch bedrijf 2003. Appellante is van mening dat dit niet het geval is, met als gevolg dat het bestreden besluit vernietigd moet worden.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. In haar uitspraak waarin appellante is aangeduid als eiseres en Uwv als verweerder heeft zij het volgende overwogen:

“Voor de in geding zijnde periode zijn het Besluit Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch Bedrijf van 11 april 2000, inwerking getreden op 1 maart 1999, en het Besluit Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch bedrijf 2003 van

10 november 2003, dat met terugwerkende kracht tot en met 1 mei 2003 in werking is getreden, van belang.

Beide besluiten zijn uitsluitend van toepassing op de dienstbetrekking binnen de sector agrarisch bedrijf, zoals is bedoeld in de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren met piekperioden en daaraan gerelateerde personeelsproblematiek en openen de mogelijkheid voor een gereduceerde wachtgeldpremie voor vier categorieën gelegenheidsarbeiders in de agrarische sector, te weten, scholieren en studenten, huisvrouwen en -mannen, asielzoekers en zelfstandige boeren. Voor de toepassing van de gereduceerde wachtgeldpremie zal de werkgever in de agrarische sector een dienstverband moeten aangaan met de voornoemde personen. Hierbij wordt aangesloten bij het werknemersbegrip, als bedoeld in artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten. Uitsluitend personen die bevoegd zijn in Nederland werkzaamheden te verrichten vallen onder de reikwijdte van de beide Besluiten Gelegenheidsarbeiders. Op grond van artikel 1 van de besluiten zijn de bedoelde personen werkzaam de gedurende maximaal acht weken per werkgever per kalenderjaar. De gelegenheidsarbeider mag in het kalenderjaar niet eerder bij die werkgever betaalde arbeid hebben verricht. Deze periode mag worden opgekipt in maximaal drie deelperioden.

In de toelichting bij het Besluit 2003 is voorts vermeld dat de beëindiging van een dienstverband, ingevolge het Besluit melding Sociale Verzekering - ook reeds ten tijde van het van toepassing zijn Besluit Gelegenheidsarbeiders van 2000 in werking -, binnen 31 dagen na het einde van het dienstverband dient te worden gemeld aan het UWV. Bij overschrijding van deze termijn is gelet op de artikelen 1 tot en met 4 en de Toelichting van het Besluit Gelegenheidsarbeiders ten aanzien van dat dienstverband de reguliere wachtgeldpremie verschuldigd.

Eiseres heeft ter zitting uiteengezet dat zij al het mogelijke heeft gedaan om in overleg met de Belastingdienst en het CWI tijdig de benodigde gegevens over te leggen. De rechtbank overweegt niettemin dat, gelet op hetgeen daaromtrent is vermeld in het rapport van 22 november 2005, de (meldingen) dienstverbanden van de betrokkenen werknemers niet voldoen aan de hiervoor aangehaalde voorwaarden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van het voeren van een administratie die gebreken vertoont, voor risico van eiseres dienen te blijven. Ondanks haar inzet ten aanzien van - onder meer - het verkrijgen van de benodigde tewerkstellingsvergunningen en sofinummers, is zij er in de betreffende jaren niet in geslaagd de bedrijfsvoering ten aanzien van de gestelde voorwaarden zodanig volledig en controleerbaar te maken dat moet worden geconcludeerd dat verweerder haar voor toepassing van het Besluit in aanmerking had moeten brengen.

(…)

Tenslotte is (eerst) in beroep aangevoerd dat verweerder voor het jaar 2003 - naar het zich laat aanzien - ten onrechte het Besluit Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch bedrijf 2003, dat met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2003 in werking is getreden, niet bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank overweegt dienaangaande dat gesteld noch gebleken is dat dit, voor zover dit al het geval zou zijn, heeft geleid tot nadeel van eiseres nu evenmin aan de - voor zover hier van belang gelijkluidende - voorwaarden voor toepassing van het Besluit Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch bedrijf 2003 is voldaan.”

De Raad verenigt zich met de aangevallen uitspraak en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne. Er zijn, mede gelet op de uitspraak van de Raad van 17 februari 2005, LJN AT1915, geen concreet houvast biedende aanknopingspunten voor een andere zienswijze gevonden.

Het hoger beroep van appellante slaagt dan ook niet.

Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2008.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

OA