Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
06-854 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vergoeding accountantskosten. Betrokkene heeft de gestelde belastingschade onvoldoende gespecificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/854 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam 6 januari 2006, 04/4086 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vervolgens over en weer op elkaars stellingen gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Aan de uitspraak van de rechtbank, waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. Bij besluit van 12 januari 2000 heeft verweerder het arbeidsongeschiktheidspercentage opnieuw vastgesteld op 45-55%. Bij besluit van 16 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 12 januari 2000 gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser vanaf 29 juni 1994 vastgesteld op 80-100%. Over de periode van 29 juni 1994 tot 1 januari 2000 heeft verweerder aan eiser een nabetaling gedaan van fl. 93.481,85 bruto en daarbij fl. 20.524,25 aan wettelijke rente betaald.

De Belastingdienst heeft aan eiser een aanslag voor inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen opgelegd van

fl. 22.046,-- naar aanleiding van de nabetaling door verweerder. Vervolgens heeft de Belastingdienst op verzoek van eiser de zogenaamde ‘uitsmeerregeling’ toegepast en de aan eiser opgelegde aanslag verlaagd tot fl. 6.939,--.

Eiser heeft vervolgens aan verweerder verzocht, voor zover thans aan de orde, een bedrag van fl. 3.149,04 in verband met accountantskosten aan hem te vergoeden. Verweerder heeft bij besluit van 18 december 2001 eisers verzoek afgewezen en bij besluit van 5 december 2002 eisers bezwaar tegen die afwijzing ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de accountantskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het geen redelijke kosten ter vaststelling van de belastingschade zijn. Ter zitting van deze rechtbank op 12 november 2003 heeft verweerder dit standpunt herzien en meegedeeld dat wat hem betreft de accountantskosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover ze gespecificeerd zijn, betrekking hebben op het verzoek aan de Belastingdienst om de ‘uitsmeerregeling’ toe te passen en niet disproportioneel zijn.”

De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 maart 2004, verzonden op dezelfde datum, het beroep tegen het besluit van 5 december 2002 gegrond verklaard en het Uwv opgedragen binnen zes weken na de verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Bij brief van 15 juni 2004 heeft het Uwv aan appellant verzocht om een duidelijke specificatie van de accountantskosten. Bij besluit van 30 juni 2004, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv de door de rechtbank gestelde termijn heeft overschreden, zodat de accountantskosten geheel door het Uwv dienen te worden vergoed. Een specificatie van de kosten acht appellant op die grond overbodig.

De rechtbank heeft overwogen dat uit wet of jurisprudentie niet kan worden afgeleid dat de enkele overschrijding van de gestelde termijn tot gevolg zou moeten hebben het Uwv gehouden zou zijn de accountantskosten geheel te vergoeden.

Ten gronde wordt overwogen dat appellant ter onderbouwing van de gestelde schade 4 facturen van zijn accountant heeft overgelegd, te weten van 10 april 2001, 8 mei 2001, 18 juni 2001 en 10 juli 2002. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat uit deze facturen niet valt af te leiden of, en zo ja, tot welke hoogte de geclaimde kosten in direct verband staan met de vaststelling van de belastingschade. Aldus kan ook niet worden vastgesteld of de kosten proportioneel zijn. Nu het Uwv appellant in de gelegenheid heeft gesteld alsnog een specificatie van de accountantsrekeningen over te leggen en appellant daarvan geen gebruik heeft gemaakt, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank het verzoek van appellant om vergoeding van de accountantskosten terecht afgewezen.

In beroep is door appellant betoogd dat accountantskosten niet alleen gaan over de uitsmeerregeling, maar dat ook de belastingschade moest worden vastgesteld. Daarover is gecorrespondeerd met het Uwv en de Belastingdienst. Op 7 september 2001 heeft het toenmalige GAK Nederland BV een brief gedateerd 6 september 2001 van HLB Schippers, Accountants Fiscalisten Juristen (hierna: HLB), ontvangen, waarin precies de werkzaamheden en kosten zijn gespecificeerd.

In een reactie hierop is door het Uwv betoogd dat de brief van 6 september 2001 geen inzicht verschaft in de diverse werkzaamheden die door het accountantsbureau verricht zouden zijn en zeker geen specificatie bevat van de geclaimde kosten.

De Raad oordeelt als volgt.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank het beroep tegen het betreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard.

De Raad stelt voorop dat de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat het enkele feit dat het Uwv de door de rechtbank gestelde termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar heeft overschreden, geen grond kan opleveren voor toewijzing van de vordering van appellant.

De Raad is verder, met de rechtbank en het Uwv, van oordeel dat appellant de gestelde belastingschade onvoldoende heeft gespecificeerd. In de brief van 6 september van HLB komt naar voren dat HLB voor appellant de aangifte inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen 2000 én het verzoek om toepassing van de uitsmeerregeling heeft verzorgd. Voor de voor appellant verrichte werkzaamheden heeft HLB appellant in totaal f 3.149,04 in rekening gebracht. Welk deel van dit bedrag betrekking heeft op werkzaamheden verband houdende met de door appellant geclaimde belastingschade is niet aangegeven. Nu het Uwv aan appellant meermalen de gelegenheid heeft geboden zijn gestelde schade alsnog te specificeren, maar appellant om hem moverende redenen daarvan heeft afgezien, moet de Raad constateren dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit met recht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2008.

(get.) M.M. van der Kade

(get.) C. de Blaeij.

OA