Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
06-6527 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is opnieuw vastgesteld op 15 tot 25%. Datum van de herziening is verschoven. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6527 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 oktober 2006, 06/864 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. van Buuren, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Voor appellant is daar verschenen mr. Van Buuren voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 5 september 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 november 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 3 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard. De oorspronkelijke schatting is vervallen. De mate van arbeidsongeschiktheid is opnieuw vastgesteld op 15 tot 25% maar de datum van de herziening is verschoven naar 9 mei 2006.

1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 9 mei 2006, de nieuwe in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 15 tot 25%.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag.

3.1. De rechtbank heeft de grief van appellant dat hij is onderzocht door een arts die de opleiding tot verzekeringsarts nog niet had afgerond in het midden gelaten omdat er in de bezwaarprocedure opnieuw een uitgebreid (lichamelijk) onderzoek is verricht door de bezwaarverzekeringsarts. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd aangegeven dat hij deze grief intrekt.

3.2. In verband met de reumatologische klachten van appellant zijn in de zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de nodige beperkingen aangegeven voor knie- en rugbelasting. De gemachtigde van appellant heeft in hoger beroep nogmaals gewezen op een verschil in inzicht tussen de bezwaarverzekeringsarts en de behandelend reumatoloog H. van der Tempel. In een aan de gemachtigde van appellant gerichte brief van 27 februari 2006 schrijft Van der Tempel dat de ontstekingsactiviteit wat minder is geworden in de laatste jaren, maar dat appellant nog steeds veel klachten heeft en sterk beperkt is ten aanzien van met name de onderste extremiteiten. Hij denkt dat hiermee in de fml toch te weinig rekening is gehouden. De bezwaarverzekeringsarts is in zijn rapporten van 22 maart 2006 en 8 juli 2006 uitvoerig ingegaan op de opmerking van Van der Tempel en ziet geen reden om de beperkingen aan te passen. Naar het oordeel van de Raad is in de FML voldoende rekening gehouden met de klachten van appellant. De reumatoloog heeft zijn opmerking over de FML ook niet nader onderbouwd of aangegeven op welke aspecten de beperkingen volgens hem niet juist zouden zijn. Voor een onderzoek door een deskundige ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

3.3. Naar het oordeel van de Raad is de belasting in de aan appellant voorgehouden functies in overeenstemming met de in de FML aangegeven beperkingen. In hoger beroep is nog een tweetal arbeidskundige rapporten ingezonden waarin de bij die functies aangegeven signaleringen nader worden toegelicht. Deze toelichting is naar het oordeel van de Raad voldoende overtuigend.

4. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A. Wit.

GdJ