Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
07-3645 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van bijstandsuitkering vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3645 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 mei 2007, verbeterd met de uitspraak van 14 juni 2007, 06/6039 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda, (hierna: Commissie).

Datum uitspraak: 8 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Piternella. De Commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.J. Spronk, werkzaam bij de gemeente Breda.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante ontving een bijstandsuitkering. Uit onderzoek naar de rechtmatigheid van die uitkering is naar voren gekomen dat zij niet aan de Commissie heeft gemeld dat zij in de periode van 1 december 1996 tot en met 31 oktober 2001 ook een ouderdomspensioen ontving van de Sociale verzekeringsbank te Willemstad.

1.3. Bij besluit van 3 juni 2002 - gewijzigd op 29 juli 2002 -, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 november 2002, heeft de Commissie de bijstand van appellante over de bovengenoemde periode herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.705,13 van haar teruggevorderd.

1.4. Bij uitspraak van 21 juni 2005, LJN AT8727, heeft de Raad, voor zover hier van belang, het besluit van 28 november 2002 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover dit ziet op de herziening in stand blijven en bepaald dat de Commissie een nieuw besluit op bezwaar neemt ten aanzien van de terugvordering. Daartoe heeft de Raad geoordeeld dat ingevolge de vervaltermijn van artikel 61d van de Algemene bijstandswet de terugvordering, voor zover deze ziet op de periode van 1 december 1996 tot en met 2 juni 1997, niet in stand kan blijven.

1.5. Ter uitvoering van die uitspraak van de Raad heeft de Commissie bij besluit van 15 maart 2006, voor zover hier van belang, de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2001 tot een bedrag van € 9.622,33 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft de Commissie het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep tegen het besluit van 15 maart 2006 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2006 dient te worden aangemerkt als een tegen dit besluit ingesteld beroep en dat verjaring niet aan terugvordering in de weg staat.

2.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij is geoordeeld dat verjaring niet aan terugvordering in de weg staat.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van bijstandsuitkering aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.

3.2. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de Commissie desgevraagd naar voren gebracht dat het - gelet op het verloop van het rechtmatigheidsonderzoek - de Commissie in februari 2002 duidelijk is geworden dat aan appellante deels onverschuldigd bijstandsuitkering is betaald. Van de kant van appellante is dit niet weersproken. De gedingstukken bevatten geen aanknopingspunten voor een eerder aanvangsmoment van de verjaringstermijn. Vervolgens heeft de Commissie op

3 juni 2002, derhalve (ruimschoots) binnen de hierboven bedoelde termijn van vijf jaren, een besluit tot terugvordering wegens onverschuldigde betaling genomen.

3.3. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van verjaring.

3.4. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

3.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij, als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) C. de Blaeij.

OA