Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
07-7046 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene verrichtte ten tijde van de toegenomen arbeidsongeschiktheid geen werkzaamheden op grond waarvan hij verzekerd was in de zin van de WAO. Geen loondervingsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7046 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 november 2007, 07/281 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 10 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L. Wilke, werkzaam als jurist bij de CNV Hout en Bouw, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Voor appellant is verschenen mr. P.L. Wilke. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 5 april 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant is gedurende de periode van 5 april 1999 tot en met 28 juni 2002 nog werkzaam geweest bij zijn eigen werkgever. Hij heeft zijn werkzaamheden moeten staken omdat zijn werkgever failliet is gegaan. Aan hem is vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verstrekt.

Bij besluit van 30 oktober 2000 is appellant door het Uwv ervan in kennis gesteld dat de aan hem verstrekte loondervingsuitkering per 5 oktober 2000 zal worden beëindigd en per die datum zal worden voortgezet als een vervolguitkering. Het vervolgdagloon is met ingang van 1 november 2000 vastgesteld op ƒ 205,28.

Naar aanleiding van een melding dat appellant per 13 mei 2003 toegenomen arbeidsongeschikt is, heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld. Bij besluit van 29 juli 2004 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de WAO ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

Op 28 juni 2004 heeft appellant zich opnieuw toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 9 augustus 2006 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 26 juni 2006 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% tegen een vervolgdagloon van € 106,73.

Bij besluit van 4 december 2006 heeft het Uwv het tegen het besluit van 9 augustus 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat voor de berekening van het dagloon terecht is uitgegaan van de referteperiode van 1 juni 2003 tot 1 juni 2004. Volgens het Uwv bestaat voorts geen recht op een loondervingsuitkering omdat appellant bij de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid op 28 juni 2004 niet terzake van het verrichten van werkzaamheden op grond van de WAO verzekerd was. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan de artikelen 40 en 14 van de WAO en het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 december 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant heeft zich op 28 juni 2004 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld naar aanleiding waarvan de uitkering ingevolge de WAO per einde wachttijd met ingang van 26 juni 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gelet op het vorenstaande is het Uwv bij de berekening van het dagloon gelet op de artikelen 40, eerste en tweede lid, en 14, eerste lid, van de WAO terecht uitgegaan van een referteperiode van 1 juni 2003 tot en met 1 juni 2004. Voor de stelling van appellant dat sprake is van een eerdere datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid op basis waarvan uitgegaan moet worden van een andere referteperiode, is onvoldoende steun te vinden in de stukken. Evenals de rechtbank verwijst de Raad daarbij onder meer naar het eerder genomen besluit van 29 juli 2004, waartegen appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend.

Voorts kan de Raad zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de strekking van artikel 40, derde lid, van de WAO is dat aan een WAO-uitkeringsgerechtigde, wiens uitkering is gebaseerd op het WAO-vervolgdagloon, bij toegenomen arbeidsongeschiktheid opnieuw een loondervingsuitkering kan worden toegekend, mits betrokkene op het moment van de toename van de arbeidsongeschiktheid WAO-verzekerde werkzaamheden verrichtte. In het onderhavige geval verrichtte appellant ten tijde van de toegenomen arbeidsongeschiktheid geen werkzaamheden op grond waarvan hij verzekerd was in de zin van de WAO, zodat niet aan de voorwaarden wordt voldaan om in aanmerking te komen voor een loondervingsuitkering.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2008.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

OA