Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07-6010 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woonplaats. Buiten gemeente woonachtig. Intrekking en terugvordering bijstand. Water- en elektriciteitsverbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6010 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 september 2007, 07/771 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant

Datum uitspraak: 8 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door B.L. Heijs, werkzaam bij de gemeente Ooststellingwerf. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.Betrokkene ontving sedert 1 september 2004 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Betrokkene is bij appellant bekend op het adres [adres] te [woonplaats].

1.2. Naar aanleiding van informatie over het verbruik van water, gas en elektriciteit op het adres [adres] te [woonplaats] heeft de Sociale Recherche Fryslân een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is betrokkene op 3 augustus 2006 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 augustus 2006. De resultaten van het onderzoek zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 4 september 2006 de bijstand van betrokkene met ingang van 1 augustus 2006 in te trekken en de kosten van de over de periode van 1 september 2004 tot en met 31 juli 2006 verleende bijstand tot een bedrag van € 18.363,97 van betrokkene terug te vorderen. Aan de intrekking heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene, zonder dat aan appellant te hebben gemeld, buiten de gemeente [plaatsnaam] woonachtig is.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 28 februari 2007 heeft appellant het besluit van 4 september 2006 gehandhaafd met dien verstande dat de bijstand met ingang van 1 september 2004 wordt ingetrokken op de grond dat betrokkene niet woonachtig is op het door hem aan appellant opgegeven adres en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling inzake griffierecht - het beroep tegen het besluit van 28 februari 2007 gegrond verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet is komen vast te staan dat betrokkene gedurende de hier in geding zijnde periode niet zijn hoofdverblijf had op het door hem aan appellant opgegeven adres.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellant de intrekking van bijstand met ingang van 1 september 2004 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 september 2004 tot en met 4 september 2006.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van schending van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, belanghebbende recht heeft op bijstand.

4.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene van 1 september 2004 tot en met 4 september 2006 niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres] te [woonplaats] en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij gedurende die periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

4.4. De Raad kent daarbij met name betekenis toe aan het uit het onderzoek gebleken water- en elektriciteitsverbruik op genoemd adres. Uit deze gegevens is af te leiden dat het waterverbruik in de woning over de periode van 1 april 2004 tot 4 september 2006 13 m3 is geweest. Uitgaande van een gemiddeld waterverbruik van ongeveer 50 m3 per persoon per jaar kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat het waterverbruik op het adres van betrokkene (gemiddeld ruim 5 m3 per jaar) extreem laag is geweest en een verblijf van betrokkene in de betreffende woning derhalve niet aannemelijk is. Voorts maakt de Raad uit de onderzoeksbevindingen op dat het elektriciteitsverbruik in de woning over de periode van 1 april 2004 tot 3 september 2006 2093 kwh. bedroeg. Uitgaande van een gemiddeld elektriciteitsverbruik van 3500 kwh. per jaar is ook het verbruik van elektriciteit in de woning van betrokkene (gemiddeld 866 kwh per jaar) zeer laag geweest. De stelling van betrokkene dat hij zich als gevolg van een lek niet normaal kon douchen, dat hij zeer zuinig is met water, geen wasmachine heeft en spaarlampen gebruikt, wat er van zij, verklaart naar het oordeel van de Raad niet het extreem lage water- en energiegebruik. Dat betrokkene, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, niet woonachtig was op het door hem aan appellant opgegeven adres vindt voor de in geding zijnde periode vanaf februari 2005 ook steun in de verklaring die betrokkene op 3 augustus 2005 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd en die door hem is ondertekend. Hij heeft toen verklaard dat hij de laatste anderhalf jaar bij zijn vriendin in [plaatsnaam 2] heeft gewoond. Aan de door betrokkene in geding gebrachte verklaring van zijn buren kent de Raad niet de betekenis toe die betrokkene daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat uit die verklaring niet blijkt of zij ziet op de hier te beoordelen periode.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen vloeit voort dat appellant op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van betrokkene met ingang van 1 september 2004 in te trekken. De Raad stelt vast dat appellant ten aanzien van de intrekking heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake door hem gehanteerde door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van zijn beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

4.6. Daarmee is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat appellant bevoegd was de kosten van de aan betrokkene over de periode van 1 september 2004 tot en met 31 juli 2006 ten onrechte verleende bijstand van hem terug te vorderen. De Raad stelt vast dat appellant in overeenstemming met zijn door de Raad niet onredelijk geachte beleid heeft besloten van die bevoegdheid ten volle gebruik te maken. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

4.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

OA