Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07-1833 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Betrokkene is er niet in geslaagd om haar financiële situatie alsnog inzichtelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1833 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2007, 06/3138 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College)

Datum uitspraak: 8 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Rodríguez González, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Rodríguez González. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Klinge, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 11 oktober 2005 heeft appellante een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 27 januari 2006 afgewezen.

1.2. Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft het standpunt ingenomen dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor haar recht op bijstand ten tijde hier van belang niet kan worden vastgesteld. Appellante is onder meer verweten dat zij onvoldoende inzage heeft verstrekt in de waarde van haar belang in het bedrijf [naam bedrijf].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 juni 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellante haar financiële situatie ook met de in beroep overgelegde nadere gegevens niet inzichtelijk heeft gemaakt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geding is dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden door voorafgaand aan de besluitvorming onvoldoende inzicht te bieden in haar financiële situatie.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen daarbij ook de door belanghebbende in de (hoger) beroepsfase alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken.

4.3. Het College heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat met name de waarde van het belang van appellante in [naam bedrijf] onduidelijk is gebleven. Appellante heeft volstaan met een verwijzing naar de reeds door haar op 20 juni 2006 overgelegde fax van haar ex-partner [J.] ([J.]) van 19 april 2005. In deze fax staat dat appellante over 3% van de aandelen in [naam bedrijf] beschikt en dat [J.] die aandelen wil overnemen en haar wil vrijwaren van de schulden van het bedrijf. Dit gedingstuk biedt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grondslag voor de stelling van appellante dat haar aandelen ten tijde van de aanvraag op 11 oktober 2005 waardeloos waren. Dat appellante geen nadere informatie heeft ingewonnen omdat zij niets meer van deze aandelen wil weten komt voor haar rekening en risico.

4.4. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd om haar financiële situatie ten tijde hier van belang alsnog inzichtelijk te maken en dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of zij verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

4.5. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

OA