Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
05-1245 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag? Juistheid vaststelling uitlooptermijn? Voldoet een aanzegging van functies alleen aan de gemachtigde aan de eisen van het zorgvuldigheidsbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1245 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2005, 03/4728 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.R. Lucassen, advocaat te Blerick, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007. Voor appellant is verschenen mr. Lucassen voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. De Raad heeft daarna het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zijn werkzaamheden als productiemedewerker op 17 mei 1990 gestaakt in verband met klachten van psychische aard. Aan hem is met ingang van 16 april 1991 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Een intrekking van deze uitkering per 6 juni 1995 is door de rechtbank Roermond bij uitspraak van 27 juni 1996 vernietigd. De rechtbank heeft zich hierbij laten leiden door een op haar verzoek door de zenuwarts B.G. Soons uitgebracht rapport.

1.3. Appellant is in 1997 met behoud van uitkering naar Marokko teruggekeerd.

1.4. Op 4 juli 2001 is appellant in Marokko onderzocht door de algemeen arts F. Lamouri en de psychiater S. Badri-George. In de rapporten van deze artsen is aanleiding gezien appellant op te roepen voor een onderzoek in Nederland.

1.5. Op 30 mei 2002 werd appellant gezien door de verzekeringsarts J. van Oort en op 31 mei 2002 is hij onderzocht door de psychiater K.R.M. Wettstein. Op basis van alle beschikbare gegevens, waaronder het rapport van de psychiater Wettstein, heeft de verzekeringsarts Van Oort een functionele-mogelijkhedenlijst (FML) voor appellant opgesteld. Aan de hand daarvan heeft de arbeidsdeskundige S.L. Koot een drietal functies geselecteerd die appellant naar zijn oordeel kan vervullen. Vergelijking van hetgeen appellant in deze functies kan verdienen met het voor hem geldende maatmaninkomen bracht deze arbeidsdeskundige tot de conclusie dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid was te stellen op 10%. De door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn appellant voorgehouden bij brief van 3 januari 2003.

1.6. Bij besluit van 6 januari 2003 is appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 10 juli 2003 ingetrokken. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.7. De bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft aan de hand van de zich in het dossier bevindende medische gegevens en hetgeen besproken is tijdens de (telefonische) hoorzitting de door de verzekeringsarts Van Oort opgestelde FML enigszins bijgesteld. De bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller is vervolgens tot de conclusie gekomen dat de door de arbeidsdeskundige Koot aan appellant voorgehouden functies niet in overeenstemming waren met de nieuw opgestelde FML. Hij selecteerde een vijftal nieuwe functies.

1.8. In het kader van de nog lopende bewaarprocedure zijn de nieuwe FML en de aan de hand daarvan geselecteerde functies op 31 juli 2003 aan de gemachtigde van appellant toegezonden met vraag of deze hem aanleiding gaven tot opmerkingen. Op 14 augustus 2003 berichtte appellants gemachtigde het Uwv de geduide functies met zijn cliënt te zullen bespreken en daarna te zullen reageren. Op 21 augustus 2003 is mr. Lucassen schriftelijk op de nadere stukken ingegaan.

1.9. Bij het bestreden besluit van 11 september 2003 heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2003 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak in stand gelaten.

3.1. Met betrekking tot de medische component van de voorliggende beoordeling kan de Raad zich vinden in hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Ook naar het oordeel van de Raad zijn uit alle onderzoeken van appellant voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een oordeel omtrent appellants arbeidsmogelijkheden te komen. Namens appellant zijn geen gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts De Vink opgestelde FML. De medische informatie van de urgentie-arts dr. H. Jerrah dateert van juni 2004 en heeft derhalve geen betrekking op de hier van belang zijnde datum, ook indien rekening wordt gehouden met hetgeen hierna over die datum wordt overwogen.

3.2. De Raad stelt voorts vast dat de door de bezwaararbeidsdeskundige Oudenaller voor appellant geselecteerde functies overeenkomen met de voor hem opgestelde FML. Appellant moet derhalve ten tijde in geding medisch gezien in staat worden geacht deze functies uit te oefenen.

3.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de grief dat de geselecteerde functies opleidingseisen stellen waaraan appellant niet kan voldoen, niet kan slagen. De Raad volstaat hier te verwijzen naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen.

3.4. Door appellants gemachtigde is verder naar voren gebracht dat ten onrechte geen gesprek tussen appellant en de arbeidsdeskundige heeft plaatsgevonden en dat het bestreden besluit derhalve onzorgvuldig is voorbereid. De Raad kan appellants gemachtigde hierin niet volgen. Een zorgvuldige voorbereiding van een besluit als het onderhavige vergt dat het bestuursorgaan de uitkeringsgerechtigde vóór de intrekking van zijn uitkering op de hoogte stelt van de voor hem geldende arbeidsbeperkingen en van de functies die hij daarmee kan uitoefenen. In het algemeen zal daartoe een toelichting in een persoonlijk gesprek niet nodig zijn. De Raad vermag niet in te zien dat de omstandigheden in appellants geval een dergelijk gesprek wel vereisten.

3.5. Ten slotte is ter zitting van de Raad aan de orde gekomen dat de door de bezwaararbeidsdeskundige Oudenaller voor appellant geselecteerde functies eerst op 31 juli 2003, derhalve na de datum in geding, aan appellants gemachtigde zijn toegezonden. Het betreft hier andere functies dan aan het besluit van 6 januari 2003 ten grondslag liggen. Zoals de bezwaararbeidsdeskundige Oudenaller in zijn rapport signaleerde, leidt reeds deze late aanzegging van functies ertoe dat de intrekking van appellants uitkering met ingang van 10 juli 2003 geen stand kan houden.

3.6. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 juni 2006, LJN AY2985, brengt volgens zijn vaste rechtspraak het zorgvuldigheidsbeginsel met zich mee dat, alvorens tot intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt overgegaan, de betrokkene op de hoogte dient te worden gesteld van de medische beperkingen welke naar het oordeel van het bestuursorgaan voor hem gelden, alsmede van de functies welke hij met die beperkingen zou kunnen vervullen. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad vangt de zogeheten uitlooptermijn aan wanneer betrokkene is geconfronteerd met de opvatting dat hij geschikt wordt geacht voor passende werkzaamheden. Een aanzegging van de functies alleen aan de gemachtigde van een betrokkene voldoet niet aan deze eisen.

3.7. Voorts heeft de Raad in zijn rechtspraak bepaald dat de voorgehouden functies niet met de betrokkene behoeven te worden besproken. Noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie vloeit deze eis voort. Wel is vereist dat het voor de betrokkene voldoende duidelijk is wat zijn (theoretische) arbeidsmogelijkheden zijn. Aan die eis is voldaan als betrokkene daarvan schriftelijk op de hoogte is gebracht (CRvB 23 oktober 2007, LJN BB6430).

3.8. De Raad wijst ten slotte op zijn uitspraak van 9 november 1993, RSV 1994/103, waarin hij heeft overwogen dat aan betrokkene na confrontatie met de opvatting dat hij geschikt is voor passende werkzaamheden een uitlooptermijn dient te worden gegund. De Raad overwoog in die uitspraak dat deze confrontatie kan geschieden in een gesprek met de betrokkene en dat ook een schriftelijke aanzegging mogelijk is, waarbij de eis geldt dat de betrokkene zelf op voldoende duidelijke wijze wordt uiteengezet dat hij geschikt wordt geacht voor passend werk en dat hij op de hoogte wordt gebracht van de voor hem bestaande arbeidsmogelijkheden. Dit laat - aldus de Raad in genoemde uitspraak - onverlet de mogelijkheid dat ook overwegingen in een rechterlijke uitspraak de te dezen vereiste duidelijkheid aan de uitkeringsgerechtigde kunnen bieden.

3.9. Het Uwv heeft aan deze vaste jurisprudentielijn invulling gegeven door in gevallen waarin in de bezwaarfase nieuwe functies worden geselecteerd die niet in het verlengde liggen van de functies die aan het primaire besluit ten grondslag liggen, vanaf het moment van voorhouden van die functies een nieuwe uitlooptermijn te hanteren van - ten tijde hier van belang - in het binnenland twee maanden en een dag en in het buitenland zes maanden en een week. Daarbij is uitgegaan van de in de jurisprudentie ontwikkelde uitlooptermijn van respectievelijk twee en zes maanden en een termijn waarbinnen de brief met de functies betrokkene zal bereiken van respectievelijk een dag en een week.

3.10. In het onderhavige geval heeft de aanzegging van de nieuwe, in de bezwaarfase geselecteerde functies alleen aan de gemachtigde van appellant plaatsgevonden. Deze aanzegging kan derhalve volgens de hiervoor vermelde jurisprudentie niet als startpunt van de uitlooptermijn gelden.

3.11. De Raad acht in dit geval echter tevens van belang dat de gemachtigde van appellant het Uwv op 14 augustus 2003 heeft bericht eerst op de nader geselecteerde functies te kunnen ingaan nadat hij deze met appellant had besproken. De gemachtigde heeft vervolgens bij schrijven van 21 augustus 2003 op die functies gereageerd. Op grond hiervan houdt de Raad het ervoor dat de nieuwe functies in elk geval op laatstgenoemde datum aan appellant bekend waren. Een intrekking van appellants WAO-uitkering met ingang van zes maanden na 21 augustus 2003 zal bij de Raad dan ook, op basis van de thans bekende gegevens, geen bezwaar ontmoeten.

3.12. Gezien het vorenstaande is bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit ten onrecht in stand gelaten. Dat besluit moet worden vernietigd onder gegrondverklaring van het beroep. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) C. de Blaeij.

IJ