Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07-2240 WWB + 07-2241 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leefvorm. Feitelijke situatie: geen sprake geweest van een kostgangersrelatie dan wel van twee zelfstandige huishoudens. Wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2240 WWB

07/2241 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], (hierna: appellante) en [Appellant], (hierna: appellant) beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 maart 2007, 06/1729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2008. Appellante is, mede gemachtigd namens appellant, verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.W.M.J. Wijsma, werkzaam bij de gemeente Echt-Susteren.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 1 november 1992 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant is sedert 1 juli 2000 in de woning bij appellante woonachtig. Appellant heeft over de periode van 1 juli 2000 tot 7 november 2005 bijstand ontvangen, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande, waarbij het College hem heeft aangemerkt als kostganger. De aan appellant verleende bijstand is in verband met het opstarten van een eigen bedrijf beëindigd.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellanten sedert 4 juli 2004 via internet hun diensten als SM-koppel aanbieden, heeft de sociale recherche van de Intergemeentelijke Sociale Dienst voor het Leudalkwartier te Heythuysen (hierna: sociale recherche) in opdracht van het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is op 22 december 2005 een huisbezoek afgelegd en zijn appellanten op 22 december 2005 door de sociale recherche verhoord. De resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 5 januari 2006, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 14 februari 2006 de aan appellante verleende bijstand ingaande 22 december 2005 te herzien (lees: in te trekken). Tevens zijn daarbij de voor appellante gemaakte kosten van bijstand over de periode van 22 december 2005 tot en met 31 december 2005 tot een bedrag van € 191,43 van appellanten teruggevorderd en zijn zij hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van dit bedrag.

1.3. Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het College beslist op de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 14 februari 2006. Daarbij zijn de bezwaren van appellante tegen de intrekking, en die van appellanten tegen de terugvordering ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard. Tevens hebben zij verzocht om het College te veroordelen schadevergoeding (wettelijke rente) te betalen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 22 december 2005 tot en met 14 februari 2006, zijnde de datum van het primaire intrekkingsbesluit.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. Aangezien vaststaat dat appellanten hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning is voor de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of er voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen appellanten die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Buiten de financiële verstrengeling kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat appellanten in elkaars verzorging voorzien. De Raad stelt daarbij voorop dat bij de afweging van alle ten aanzien van de leefsituatie van appellanten gebleken feiten en omstandigheden de aard en het motief van de relatie tussen appellanten en de eigen - op een subjectieve beleving gebaseerde - waardering van hun leefsituatie buiten beschouwing dienen te blijven.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. Daarbij verenigt de Raad zich met name met de door de rechtbank genoemde feitelijke omstandigheden met betrekking tot de gezamenlijke slaapgelegenheid, het gebruik van de woning voor de bedrijfsvoering van appellant en het gebruik van de auto van appellante door appellant. Hieraan voegt de Raad nog toe dat uit de stukken is af te leiden dat appellanten samen boodschappen deden en gezamenlijk kennissen bezochten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de stukken geen steun te vinden is voor de stelling van appellante dat zij haar verklaring tegenover de sociale recherche onder druk heeft afgelegd en dat hetgeen zij heeft verklaard niet strookt met hetgeen op schrift is gesteld, nog daargelaten dat deze stelling niet expliciet is onderbouwd. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de sedert 1 juli 2000 tussen appellanten bestaande situatie ten tijde in geding niet is gewijzigd overweegt de Raad dat, wat ook van deze stelling zij, een bestuursorgaan in zoverre in beginsel niet is gebonden aan een in het verleden, op basis van door betrokkenen aangevoerde feiten en omstandigheden gemaakte - eventueel onjuiste - beoordeling.

4.5. Gelet op het bovenstaande heeft de Raad niet de overtuiging gekregen dat hier sprake is geweest van een kostgangersrelatie dan wel van twee zelfstandige huishoudens. De situatie waarin appellanten zich ten tijde in geding bevonden duiden naar het oordeel van de Raad op een verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar die de grenzen van een zuiver commerciële kostgangersrelatie overschrijden. De gestelde bijdrage van appellant van € 350,-- per maand kan dan ook niet beschouwd worden als een reële zakelijke vergoeding voor hetgeen appellante aan onderdak en verzorging bood maar dient te worden gekwalificeerd als een bijdrage in de kosten van de huishouding.

4.6. Door van de gezamenlijke huishouding geen melding te maken bij het College heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Ten gevolge van deze schending is aan appellante ten onrechte bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder verleend, zodat het College bevoegd was met toepassing van artkel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan haar verleende bijstand in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van de artikelen 58, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 59, tweede lid, van de WWB is voldaan zodat het College bevoegd was om de ten onrechte voor appellante gemaakte kosten van bijstand over de periode van 22 december 2005 tot en met 31 december 2005 van appellanten terug te vorderen.

4.8. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van de terugvordering gehanteerde, niet door de Raad onredelijk geachte beleid. In hetgeen door appellanten is aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid had moeten afwijken.

4.9. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

4.10. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2008.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad de Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AR