Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
07-3405 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Geen blijvende invaliditeit. Geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de volledigheid van het onderzoek door de psychiater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3405 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante],

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 maart 2007, onderwerp BZ 7514, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Daar is appellante verschenen in persoon, bijgestaan door M.E. Soffner-Portier, wonende te Leidschendam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren in 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellante heeft haar aanvraag gebaseerd op gezondheids-klachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 28 november 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellante weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet (te weten internering in Kotok te Djember tijdens de Bersiap-periode), maar dat zij als gevolg van die gebeurtenis geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.

3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

3.1. Naar uit de stukken blijkt, is het standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op een door de psychiater dr. P.C. Vogel bij appellante verricht medisch onderzoek en op ontvangen informatie van de internist dr. P. Rixner alsmede de in de bezwaarfase ingebrachte informatie van U. Groß (huidarts), R. Maier (internist en huisarts) en R. Berger (orthopedisch arts). In de medische adviezen is aangegeven dat de bij appellante aanwezige psychische klachten in verband staan met het oorlogsgeweld, maar tevens dat de met deze klachten gepaard gaande beperkingen zodanig gering zijn dat er niet gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. Met betrekking tot de lichamelijke klachten is geoordeeld dat deze geen verband houden met het ondergane oorlogsgeweld maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan.

3.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 3.1 genoemde adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt.

3.3. Voorts heeft de Raad, anders dan door appellante tijdens het verhandelde ter zitting is betoogd, geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de volledigheid van het onderzoek door de psychiater Vogel dan wel aan de juistheid van diens bevindingen en conclusies. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat een psychiater juist vanwege zijn specifieke psychiatrische kennis in staat wordt geacht te kunnen beoordelen in hoeverre de psychische klachten beperkingen opleveren in het dagelijks functioneren. Medische gegevens die er op wijzen dat het in dit geval anders zou zijn, zijn niet voorhanden.

4. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) P. Boer.

HD