Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
07-3971 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hernieuwde aanvraag. Op grond van de voorhanden gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante tijdens de zogenoemde Bersiap-periode heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3971 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante],

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 mei 2007, onderwerp BZ 7659, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Edam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden

1.1. Een door appellante, geboren in 1946 in het voormalige Nederlands-Indië, in oktober 2000 bij verweerster ingediende aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, heeft verweerster afgewezen bij besluit 29 augustus 2001. Verweerster heeft in dat verband overwogen dat de spanningen van appellantes moeder tijdens de zwangerschap van appellante geen grond vormen op basis waarvan kan worden aanvaard dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld en dat het opgroeien in een door de oorlog getekend gezin, niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. In januari 2007 heeft appellante zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat zij gezondheidsklachten heeft die het gevolg zijn van gebeurtenissen tijdens de zogenoemde Bersiap-periode, zoals weergegeven in een bij de aanvraag ingebrachte verklaring van haar oom [naam oom].

1.3. Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 28 februari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellante bij het herzieningsverzoek en ook tijdens de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld die, als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een ander besluit zou hebben geleid. In het bijzonder heeft verweerster overwogen dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat appellante direct betrokken is geweest bij beschietingen of dat zij vanwege levensbedreigende omstandigheden dan wel onder levensbedreigende omstandigheden is geëvacueerd, aangezien buiten de verklaring van [naam oom] die niet op eigen waarneming berust van het gestelde geen bevestiging is verkregen.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit , gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Namens appellante is aangevoerd dat verweerster ten onrechte haar verzoek van januari 2007 heeft gezien als een verzoek om herziening en als zodanig heeft behandeld. De Raad ziet hierin aanleiding zich ambtshalve uit te spreken over het karakter van het bestreden besluit. Hij overweegt daartoe als volgt.

2.1.1. Appellantes verzoek uit oktober 2000 was gericht op het verkrijgen van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van - samengevat - bij appellante opgetreden prenatale spanning. Deze omstandigheid heeft appellante aan haar thans aan de orde zijnde verzoek niet (meer) ten grondslag gelegd. Laatstgenoemd verzoek is uitsluitend gebaseerd op haar ervaringen tijdens de Bersiap-periode zoals deze blijken uit de verklaring van (haar oom) [naam oom]. Aangezien deze ervaringen bij de eerdere aanvraag niet zijn beoordeeld en de toen bedoelde ervaring nu geen rol meer speelt, dient de nu aan de orde zijnde aanvraag te worden aangemerkt als een hernieuwde aanvraag waarop artikel 61, derde lid, van de Wet geen betrekking heeft.

2.1.2. De Raad stelt dan ook vast dat verweerster met betrekking tot de door appellante gemelde gebeurtenissen tijdens de Bersiap-periode thans voor het eerst een besluit heeft genomen, zodat ten aanzien van de vraag naar de juistheid van het daaromtrent door verweerster ingenomen standpunt door de rechter een volle toetsing dient plaats te vinden.

2.2. In artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet is bepaald dat onder burger-oorlogsslacht-offer wordt verstaan degene die in de na-oorlogse periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen bij ongeregeldheden die zich nauw aansluitend aan de oorlog tot 27 december 1949 aldaar hebben voorgedaan en die naar aard en gevolgen vergelijkbaar zijn met de omstandigheden bedoeld onder a, b, c of d, ten gevolge waarvan hij blijvend invalide is geworden of overleden.

2.3. Appellante heeft zelf geen bewuste oorlogsherinneringen en heeft voor haar oorlogs-ervaringen verwezen naar haar oom [naam oom]. Deze heeft verklaard - samengevat - dat in de Darmobuurt in Soerabaja, waar appellante woonachtig was, tijdens de tweede politionele actie (ernstige) ongeregeldheden hebben plaatsgevonden en dat de ouderlijke woning van appellante door beschietingen beschadigd is geraakt en dat de buurtbewoners vanwege deze ongeregeldheden geëvacueerd zijn geweest.

2.4. Op grond van de voorhanden gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante tijdens de zogenoemde Bersiap-periode heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als omschreven in artikel 2 van de Wet. De verklaring van [naam oom] voornoemd vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende bevestiging van hetgeen appellante is overkomen. De Raad overweegt daarbij dat deze oom niet uit eigen waarneming over deze lotgevallen kan verklaren, maar deze op basis van zijn eigen ervaringen en op basis van bekende historische feiten aannemelijk oordeelt. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster zich terecht op het standpunt gesteld dat van de gestelde gebeurtenissen geen bevestiging is verkregen. De omstandigheid dat de gestelde gebeurtenissen (ongeregeld-heden) in historische zin zouden hebben plaatsgevonden brengt evenwel niet (auto-matisch) mee dat een aanvrager daarbij direct betrokken is geweest zoals is vereist voor toepassing van de Wet.

3. Voorts merkt de Raad nog op dat nu niet is komen vast te staan dat appellante getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, verweerster op goede gronden een medisch onderzoek naar de door appellante genoemde klachten en een mogelijk verband van deze klachten met haar oorlogservaringen achterwege heeft gelaten. De wetgever heeft immers slechts diegenen onder de werking van de Wet willen brengen die, strikt omschreven en in artikel 2, eerste lid, van de Wet neergelegde, bijzondere oorlogs-gebeurtenissen hebben ervaren, zodat het in de rede ligt slechts mensen aan een verdergaand (belastend) medisch onderzoek te onderwerpen, waarvan vast is komen te staan dat zij zijn getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Naar uit 2.4 blijkt is dat in het geval van appellante niet gebleken.

4. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) P. Boer.

HD