Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
07-4438 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening.Er zijn geen - relevante - gegevens naar voren gebracht, die verweerster bij haar eerdere besluiten niet bekend waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4438 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant],

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 21 juni 2007, onderwerp BZ 7702, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslacht-offers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Aldaar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indi├ź, heeft in september 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend op grond van de Wet. In dat verband heeft appellant onder meer aangegeven dat hij tijdens de Japanse bezetting ge├»nterneerd is geweest in Lonkrang aan de rand van Wonosobo en dat hij in de op de Japanse bezetting volgende zogenoemde Bersiap-periode tijdens werkzaamheden als hulpje voor de Militaire politie in Wonosobo aan zijn linker been gewond is geraakt bij beschietingen. Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 29 maart 2002, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 september 2002. Ondanks uitgebreid verificatieonderzoek naar de door appellant genoemde oorlogsgebeurtenissen achtte verweerster in onvoldoende mate aangetoond dan wel aannemelijk geworden dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. In dat verband is overwogen dat de genoemde internering van appellant niet is komen vast te staan en dat informatie bij de Koninklijke Landmacht, Instituut voor militaire geschiedenis, geen bevestiging heeft opgeleverd van appellants betrokkenheid bij beschietingen.

1.2. In 2004 heeft appellant zich andermaal tot verweerster gewend met een aanvraag op grond van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wet afgewezen bij besluit van 27 september 2004 op de grond dat door appellant geen van belang zijnde nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, waarmee bij de eerdere beslissing geen rekening is gehouden. Een door appellant tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij besluit van 29 december 2004 wegens termijnover-schrijding niet-ontvankelijk verklaard. Door appellant is tegen laatst genoemd besluit bij de Raad beroep ingesteld, welk beroep later door hem is ingetrokken.

1.3. In juni 2005 heeft appellant zich andermaal tot verweerster gewend met een aanvraag op grond van de Wet. In dit verband heeft hij aangegeven inmiddels onder behandeling te zijn bij Centrum 45. Deze aanvraag heeft appellant vergezeld doen gaan van een getuigenverklaring van zijn broer [naam broer]. Verweerster heeft geoordeeld dat in deze verklaring geen van belang zijnde nieuwe feiten of omstandigheden zijn vermeld, waarmee bij de eerdere beslissing geen rekening is gehouden. Een door appellant tegen dit besluit gemaakt bezwaar is door hem ingetrokken.

1.4. In oktober 2006 heeft appellant wederom een beroep gedaan op de Wet, alsmede daarnaast op de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag op grond van de Wet is door verweerster afgewezen bij besluit van 8 maart 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet.

2.1. De Raad heeft, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

2.2. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dat brengt mee dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

2.3. Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming over de eerste aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om het toen genomen besluit te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken.

2.4. De Raad moet vaststellen dat appellant bij het onderhavige herzieningsverzoek in wezen heeft herhaald hetgeen hij ter ondersteuning van zijn eerdere aanvragen had aangevoerd. Bij het onderhavige herzieningsverzoek heeft appellant ook geen - relevante - gegevens naar voren gebracht, die verweerster bij haar eerdere besluiten niet bekend waren. Verweerster heeft dan ook op goede gronden geweigerd haar eerdere besluiten te herzien.

3. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) P. Boer.

HD