Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6607

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07-4660 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening: geen - relevante - nieuwe gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4660 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante],

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 20 juli 2007, onderwerp BZ 7703, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslacht-offers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Aldaar is appellante in persoon verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die is geboren [in] 1940 in het voormalige Nederlands-Indië heeft in maart 1998 bij verweerster een aanvraag ingediend die er primair toe strekte dat zij zou worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 14 oktober 1998 op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet

1.2. Nadien heeft appellante diverse aanvragen om erkenning als burger-oorlogsslacht-offer bij verweerster ingediend, die door verweerster zijn afgewezen bij besluiten van 31 oktober 2003 en 18 oktober 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 december 2004.

1.3. In februari 2007 heeft appellante wederom op grond van de Wet een aanvraag ingediend die er toe strekt dat zij als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking komt voor onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 27 maart 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet.

2. Appellante kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij heeft naar voren gebracht dat zij op grond van haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende Bersiap-periode moet worden aangemerkt als oorlogsslachtoffer.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dit besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dat brengt mee dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

3.3. Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming in het verleden niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om het eerder genomen besluit te herzien.

3.4. De Raad moet vast stellen dat appellante van meet af aan op de volgende omstandig-heden heeft gewezen. Haar vader is in maart 1942 krijgsgevangen gemaakt en appellante bleef met moeder en haar in augustus 1942 geboren zusje alleen achter. Het gezin heeft in een vrouwenkamp gezeten, waar zij in de rij moesten staan voor voedsel. Appellante is door slechte voeding en leefomstandigheden vervuild en vermagerd geraakt. Na de Japanse capitulatie zijn zij op een open vrachtauto naar Soerabaja gereisd en van daaruit na enige tijd met een vliegtuig naar Australië, waar zij met vader zijn verenigd. Ten aanzien van deze gebeurtenissen heeft verweerster in haar hiervoor genoemde besluiten geoordeeld dat zij niet zijn komen vast te staan dan wel niet zijn aan te merken als oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van de Wet.

3.5. De onder 3.4 genoemde omstandigheden heeft appellante bij haar thans aan de orde zijnde aanvraag wederom naar voren gebracht en daarbij nog gewezen op de angst en de honger, die zij als kind heeft ondervonden en op de problemen om te overleven bij afwezigheid van haar vader en met een moeder die angstig en paniekerig was.

3.6. De Raad stelt vast dat de angstige situatie en de overige omstandigheden die appellante in de onderhavige procedure naar voren heeft gebracht, zijn aan te merken als uitvloeisel van de destijds heersende algemene oorlogsomstandigheden, waaronder in meer of mindere mate eenieder heeft geleden. Dergelijke gebeurtenissen, hoe voorstel-baar angstig ook voor een jong kind, kunnen niet onder de werking van artikel 2 van de Wet worden gebracht, aangezien de wetgever erkenning als burger-oorlogsslachtoffer nadrukkelijk heeft beperkt tot diegenen die slachtoffer zijn geworden van specifieke in artikel 2 van de Wet omschreven gebeurtenissen.

3.7. Nu appellante bij het onderhavige herzieningsverzoek geen - relevante - nieuwe gegevens naar voren heeft gebracht, die verweerster bij haar eerdere besluiten niet bekend waren, heeft verweerster op goede gronden geweigerd haar eerdere besluiten te herzien.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in zake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) P. Boer.

HD