Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07-5540 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een motivering van het bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5540 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant],

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 augustus 2007, onderwerp BZ 7782, ten aanzien van appellant genomen besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Daar is appellant verschenen in persoon, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde gegevens.

1.1. Bij besluit van 19 april 2007 heeft verweerster afwijzend beslist op een door appellant in november 2006 gedane - hernieuwde - aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 en in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering.

1.2. Tegen het besluit van 19 april 2007 heeft appellant bij schrijven van 23 mei 2007 bezwaar gemaakt. Wegens het ontbreken van de gronden waarop het bezwaar berust, heeft verweerster appellant in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen, bij schrijven van 1 juni 2007 en laatstelijk bij aangetekend schrijven van 6 juli 2007 waarbij appellant voor de laatste maal de gelegenheid is gegeven de gronden van het bezwaar in te dienen. In dat schrijven is vermeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen twee weken na verzending van dat schrijven is hersteld. Appellant heeft niet binnen deze termijn de gronden van zijn bezwaar ingediend.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerster vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat, wegens het ontbreken van een motivering van het bezwaar, niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. In artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevat.

In artikel 6:6 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2. Vaststaat dat het bezwaarschrift niet de gronden bevat waarop het bezwaar berust en dat die gronden niet nader bij verweerster zijn ingediend. Voorts heeft appellant in beroep en tijdens het verhandelde ter zitting geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat verweerster niet van de haar in artikel 6:6 van de Awb gegeven bevoegdheid gebruik had mogen maken.

3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) P. Boer.

HD