Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07-1602 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand in de vorm van lening. Inrichtings- en verhuiskosten. Bijzondere omstandigheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1602 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2007, 05/5767 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft A.S. Toiserkani hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Voor appellant is verschenen A.S. Toiserkani. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 13 augustus 2004 bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtings- en verhuiskosten ten bedrage van € 3.665,43. Als reden voor de verhuizing werd opgegeven de gezondheid van appellant en zijn vrouw. Appellant woonde op een verdieping en zou gaan verhuizen naar een woning op de begane grond. Op 26 april 2005 ondertekende appellant ten behoeve van deze bijstandsaanvraag een akte van schuldbekentenis voor een lening van € 2.879,--. Vervolgens kreeg appellant bij besluit van 23 mei 2005 leenbijstand toegekend tot een bedrag van € 2.436,97 voor het betalen van inrichtingskosten. Bij (afzonderlijk) besluit van 23 mei 2005 werd aan appellant € 828,37 bijstand toegekend voor verhuiskosten waarvan € 442,03 in de vorm van een lening. In beide besluiten van 23 mei 2005 is bepaald dat het aflossingsbedrag van de verstrekte lening maximaal 10% bedroeg van de voor appellant en zijn partner geldende bijstandsnorm, inclusief toeslagen en vakantietoeslag.

Bij besluit van 8 december 2005 (hierna: besluit 1) heeft het College het tegen de besluiten van 23 mei 2005 gemaakte bezwaar ten aanzien van de aan appellant toegekende bijzondere bijstand voor inrichtings- en verhuiskosten ongegrond verklaard.

Bij (afzonderlijk) besluit van 8 december 2005 (hierna: besluit 2) heeft het College het tegen de besluiten van 23 mei 2005 gemaakte bezwaar ten aanzien van het door het College bepaalde bedrag ter aflossing van de aan appellant verstrekte bijzondere bijstand in de vorm van geldleningen eveneens ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat de verhuizing van appellant en zijn echtgenote vanwege medische redenen nodig was, dat appellant bij zijn aanvraag alle betalingsbewijzen had overhandigd en dat gelet daarop het gehele gevraagde bedrag had moeten worden toegekend, waarvan € 2.050,-- in de vorm van leenbijstand en het meerdere om niet. Appellant is verder van mening dat zijn vakantietoeslag niet mag worden meegenomen bij de berekening van het aflossingsbedrag. Hierbij heeft hij een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een drietal andere beschikkingen van het College.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid van de WWB niet van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de WWB wordt de bijstand verleend om niet, tenzij in deze wet anders is bepaald. Het tweede lid van dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening indien de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, het College de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Vaststaat dat aan appellant op grond van bij zijn bijstandsaanvraag overgelegde betalingsbewijzen bij de besluiten van 23 mei 2005 in totaal € 3.265,34 aan bijzondere bijstand is toegekend voor inrichtings- en verhuiskosten. Blijkens de rapportage van 28 april 2005 werden de totale kosten berekend aan de hand van een prijslijst van appellant. De aldus vastgestelde kosten betroffen:

- Inrichtingskosten € 2.436,97

- Dubbele huur € 300,34

- Waarborgsom € 442,03

- Administratie € 86,--

Appellant heeft geen verifieerbare betalingsbewijzen verstrekt ter onderbouwing van zijn stelling dat het College ten onrechte niet alle gevraagde kosten heeft vergoed. De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat door hem meer kosten zijn gemaakt dan € 3.265,34.

Op grond van het verhandelde ter zitting stelt de Raad voorts vast dat tussen partijen verder slechts in geschil is of het meerdere van € 2.050,-- om niet had moeten worden verstrekt. De Raad overweegt hierover het volgende.

Blijkens paragraaf 9.5.5 van de ten tijde in geding door het College gehanteerde Werkvoorschriften van de gemeente Amsterdam komen de kosten voor een verhuizing en woninginrichting niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Alleen in bijzondere situaties, waar sprake is van bijzondere medische of sociale redenen die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maken, terwijl geen beroep op een voorliggende voorziening mogelijk is, kan bijstand voor deze kosten worden verstrekt.

Paragraaf 9.5.5.3 van de Werkvoorschriften heeft als opschrift Bijzondere situaties. In die paragraaf worden vijf bijzondere situaties genoemd die bijstandsverlening noodzakelijk maken. Eén daarvan is de situatie dat mensen om medische redenen moeten verhuizen en zij niet door eigen toedoen buiten de werking van de voorliggende voorzieningen vallen. Als er in dit soort situaties bijstand moet worden verleend, dan is dat bijzondere bijstand om niet.

Gevraagd naar de reden waarom aan appellant bijstand is verstrekt voor inrichtings- en verhuiskosten, heeft de gemachtigde van het College ter zitting van de Raad gewezen op de situatie dat appellant niet heeft kunnen reserveren voor de verhuizing. Niet was gebleken dat appellant om medische redenen heeft moeten verhuizen. Dit is derhalve geen reden geweest om bijzondere bijstand om niet te verstrekken, aldus de gemachtigde.

Uit de toekenning van de bijzondere bijstand in dit geval moet worden afgeleid dat het College klaarblijkelijk van opvatting is dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in paragraaf 9.5.5. De Raad is van oordeel dat het College echter niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond van welke overwegingen en op grond van welke paragraaf uit de Werkvoorschriften in dit geval leenbijstand is verleend in plaats van bijstand om niet. Dit brengt mee dat besluit 1 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad besluit 1 vernietigen en bepalen dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Beroep op het gelijkheidsbeginsel

Blijkens paragraaf 9.6.3.1 van de gehanteerde Werkvoorschriften wordt voor de aflossing van de lening in principe de volledige beslagruimte benut: in de regel is dat maximaal 10% van de bijstandsnorm, inclusief het vakantietegoed. Verder is bepaald dat het toekenningsbesluit de hoogte en de duur van de aflossingen vermeldt en ook dat het gereserveerde vakantietoeslag zal worden aangewend voor aflossingen.

Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van de aflossing van leenbijstand gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, beleidsregels zoals neergelegd in voornoemde Werkvoorschriften. Het College heeft hierbij naar het oordeel van de Raad niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De in dit verband namens appellant aangedragen beschikkingen van het College van 13 oktober 2005 ten aanzien van [I.] en van 28 maart 2006 respectievelijk 15 januari 2004 ten aanzien van [M.] betreffen immers geen gelijke gevallen. In de beschikking van

13 oktober 2005 was bij het tekenen van de akte van schuldbekentenis noch in het besluit betreffende de toekenning melding gemaakt van een inhouding van het vakantietegoed. In de beschikking van 28 maart 2006 staat juist vermeld dat bij de hoogte van het aflossingsbedrag rekening wordt gehouden met 90% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietegoed terwijl uit de beschikking van 15 januari 2004 niet blijkt hoe het aflossingsbedrag is samengesteld.

Het vorenstaande betekent dat het College bij besluit 2 het aflossingsbedrag voor de in geding zijnde leningen op 10% van de bijstandsnorm, inclusief het vakantietegoed terecht heeft gehandhaafd. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. De aangevallen uitspraak komt daarom in zoverre, onder aanvulling van de gronden, voor bevestiging in aanmerking.

Proceskosten

Voor een veroordeling van het College tot vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) is namelijk geen sprake als tussen degene aan wie de rechtsbijstand wordt verleend en de rechtsbijstandverlener een nauwe familierelatie bestaat (zie ook de uitspraak van de Raad van 14 december 2007, LJN BC1460). De door de gemachtigde van appellant gemaakte kosten voor het indienen van beroepschriften en andere stukken komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de gemachtigde de zoon van appellant is. Dat de zoon als juridisch adviseur in overige procedures voor klanten wel beroepsmatig als rechtsbijstandverlener optreedt, maakt dit niet anders.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond;

Vernietigt besluit 1;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en E.J.M. Heijs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.E. Broekman.

IJ