Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6520

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07/897 AW, 07/898 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hij niet reeds vóór de uitspraak van de Raad had kunnen achterhalen en redelijkerwijs in de toenmalige procedure naar voren had kunnen brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/897 AW en 07/898 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek van:

[Verzoeker],

om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 maart 2006, 04/2948 en 04/5148, op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 april 2004, 03/1003,

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (hierna: college)

Datum uitspraak: 12 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.H. Wenselaar, juridisch adviseur te Utrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

- hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

- bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

- waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als in artikel 8:88 van de Awb bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

2.1. Bij genoemde uitspraak van de rechtbank van 22 april 2004 is verzoekers beroep tegen de handhaving van het hem met toepassing van artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) verleende ontslag per 1 mei 1998, gegrond verklaard.

2.2. Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft de Raad het door het college tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. De Raad was van oordeel dat het college zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat medio 1998 in de tussen partijen bestaande arbeidsrelatie een impasse was opgetreden waarin geen uitzicht meer bestond op het herstel van een vruchtbare samenwerking, welke situatie grond bood voor ontslag. Ook achtte de Raad de aan het ontslag verbonden financiële voorziening, bestaande uit een uitkering welke met inachtneming van de voorschriften die in 1998 golden, niet lager is dan het wachtgeld dat verzoeker zou hebben ontvangen indien hij op een andere grondslag zou zijn ontslagen, niet onredelijk.

3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

3.1. Het verzoek om herziening is in hoofdzaak gebaseerd op de stelling dat de Raad onjuiste feiten en omstandigheden aan zijn oordeelsvorming ten grondslag heeft gelegd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker een groot aantal stukken overgelegd.

3.2. De Raad overweegt dienaangaande dat verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die hij niet reeds vóór de uitspraak van de Raad had kunnen achterhalen en redelijkerwijs in de toenmalige procedure naar voren had kunnen brengen, zodat niet voldaan is aan artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Zou overigens van de volgens verzoeker juiste feiten zijn uitgegaan, dan kan gelet op de inhoud van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, niet worden geoordeeld dat dit tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Daarbij wijst de Raad er vooral op dat niet de ziekte van verzoeker tot het ontslag heeft geleid, maar de impasse in de arbeidsver-houding, en dat de terugwerkende kracht van het ontslag tot de oorspronkelijk vastgestelde ingangsdatum - 1 mei 1998 - gerechtvaardigd is geoordeeld vanwege de omstandigheid dat de impasse toen reeds aanwezig was.

4. Nu niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb neergelegde vereisten, dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD