Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07-3268 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Detentie. Bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor een huurschuld. van appellant. Het is niet mogelijk om tweemaal - inhoudelijk - te beslissen op een bezwaar tegen eenzelfde primair besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3268 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2007, 06/3272 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg.nrs 07/1241, 07/1242 en 07/6170 WWB, plaatsgevonden op 20 mei 2008, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ceelen en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggeman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het geding met reg.nr. 07/3268 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 1 februari 1997 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande. Bij een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand is het College gebleken dat appellant van 8 september 2000 tot en met 4 december 2000 gedetineerd is geweest. Naar aanleiding daarvan heeft het College appellant bij een op 20 januari 2001 gedateerde brief meegedeeld dat op 10 januari 2001 is besloten de bijstand over de periode van 8 september 2000 tot en met 31 oktober 2000 te herzien (lees: in te trekken) en dat de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van fl. 3.321,88 (€ 1.507,40) van appellant worden teruggevorderd (hierna: besluit 1).

1.2. Bij brief van 13 maart 2001 is een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor een huurschuld van appellant. Daarbij is aangegeven dat de bijstand rechtstreeks aan de verhuurder van de woning van appellant dient te worden betaald. Bij besluit van 16 april 2001 (hierna: besluit 2) heeft het College appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van fl. 2.864,07 (€1.299,66).

1.3. Bij brieven van 13 juli 2005 is tegen de besluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt. Bij twee besluiten van 30 december 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 24 januari 2007, reg.nrs. 06/470 en 06/471, heeft de rechtbank de beide besluiten van 30 december 2005 vernietigd. Bij uitspraak van heden, reg. nrs. 07/1241, 07/1242 en 07/6170, voor zover hier van belang, heeft de Raad, met gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank van 24 januari 2007, het beroep tegen het besluit van 30 december 2005 waarbij het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard, alsnog ongegrond verklaard en voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 30 december 2005, waarbij het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk is verklaard, in stand blijven.

1.4. Bij brieven van 27 april 2006 en 25 april 2006 heeft appellant wederom tegen de besluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt. Daarbij is gesteld dat appellant deze besluiten eerst op 20 april 2006 heeft ontvangen. Bij besluit van 30 juni 2006, voor zover hier van belang, heeft het College de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het College de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 terecht wegens het overschrijden van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard aangezien appellant ook al op 13 juli 2005 tegen die besluiten bezwaar heeft gemaakt zodat niet kan worden gesteld dat appellant met die besluiten niet bekend was. Gelet op deze overwegingen heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 30 juni 2006 ongegrond verklaard voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk zijn verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd uitsluitend voor zover de rechtbank het beroep tegen de bij het besluit van 30 juni 2006 gegeven niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond heeft verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat hij, toen hij bij de brieven van 13 juli 2005 tegen de besluiten 1 en 2 bezwaar maakte niet de beschikking had over de volledige tekst van die besluiten en dat hij eerst op 20 april 2006 daarover de beschikking kreeg. Hij stelt zich primair op het standpunt dat de termijn om tegen die besluiten bezwaar te maken eerst op 20 april 2006 is aangevangen, zodat bij de brieven van 27 april 2006 en 25 april 2006 tijdig bezwaar is gemaakt, subsidiair dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, aangezien hij eerst toen ten volle kon beoordelen of hij bezwaar wenste te maken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie zijn uitspraak van 4 oktober 2005, LJN AU4513) staat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht er aan in de weg om tweemaal - inhoudelijk - te beslissen op een bezwaar tegen eenzelfde primair besluit. In een dergelijk geval dient het bestuursorgaan het tweede bezwaar tegen het betreffende primaire besluit niet-ontvankelijk te verklaren.

4.2. De Raad stelt vast dat het College bij besluiten van 30 december 2005 op de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 heeft beslist. Gelet op de uitspraak van de Raad van heden, reg. nrs 07/1241, 07/1242 en 07/6170, is het besluit van 30 december 2005 op het bezwaar tegen besluit 1 in rechte onaantastbaar geworden en zijn de rechtsgevolgen van het besluit van 30 december 2005 op het bezwaar tegen besluit 2 in stand gebleven.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen vloeit voort dat het College bij het besluit van 30 juni 2006 de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ten onrechte wegens het overschrijden van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 30 juni 2006 wegens een ondeugdelijke motivering vernietigen voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk zijn verklaard. De Raad zal voorts bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 30 juni 2006 in stand blijven. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

4.4. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de besluit 1 en 2 gegrond en vernietigt het besluit van 30 juni 2006 in zoverre.

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 30 juni 2006 in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-- , te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2008.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) M.J. Bernhagen.

OA