Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
07-4339 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het (gecorrigeerde) verzamelinkomen van de afzonderlijke ouders van de studerende in het peiljaar.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.9
Wet inkomstenbelasting 2001
Wet inkomstenbelasting 2001 9.4
Wet algemene bepalingen
Wet algemene bepalingen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4339 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 juli 2007, 07/5 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellante.

Datum uitspraak: 4 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 oktober 2006 heeft appellante de veronderstelde ouderlijke bijdrage van betrokkene ten behoeve van zijn dochter [W.] over 2006 vastgesteld. Daarbij is appellante uitgegaan van een door de Belastingdienst over het peiljaar 2004 vastgesteld verzamelinkomen van € 48.183,-.

1.2. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt.

1.3. Het bezwaar van betrokkene is bij besluit van 24 november 2006 (hierna: bestreden besluit) door appellante onder verwijzing naar artikel 3.9 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard.

1.4. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij in hoofdzaak aangevoerd dat het onbillijk is dat appellante bij de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage het door de Belastingdienst over het peiljaar vastgestelde verzamelinkomen zonder enige (buitenwettelijke) correctie als maatstaf hanteert. In dit verband heeft betrokkene erop gewezen dat zijn verzamelinkomen voor een belangrijk deel bestaat uit fictieve inkomsten die vóór het in werking treden van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen deel uitmaakten van het belastbare inkomen. Voor de heffing van inkomstenbelasting over het peiljaar 2004 zijn bedoelde fictieve inkomsten verrekend met in eerdere jaren geleden verliezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, een en ander met de opdracht om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en met aanvullende beslissingen inzake griffierecht en proceskosten. Daartoe is overwogen dat appellante niet zonder kenbaar nader onderzoek naar de eventuele toepasselijkheid van artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het verzamelinkomen als uitgangspunt heeft kunnen nemen voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, zodat het bestreden besluit - naar het oordeel van de rechtbank - niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.

3.1. Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Daarbij is uiteen gezet dat en waarom appellante de dragende overwegingen van de aangevallen uitspraak onbegrijpelijk vindt.

3.2. Betrokkene heeft zich in hoger beroep achter de overwegingen en het oordeel van de rechtbank geschaard.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de WSF 2000 het (gecorrigeerde) verzamelinkomen van de afzonderlijke ouders van de studerende in het peiljaar.

Ingevolge artikel 3.9, tweede lid, van de WSF 2000 treedt het (gecorrigeerde) belastbare loon in de plaats van het (gecorrigeerde) verzamelinkomen, indien ingevolge artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen aanslag wordt vastgesteld of een aanslag wordt vastgesteld waarbij verrekening van de ingehouden loonbelasting achterwege blijft.

4.3. Uit de door betrokkene in beroep overgelegde stukken leidt de Raad af dat de Belastingdienst over het peiljaar 2004 ten laste van betrokkene een aanslag heeft vastgesteld en dat dit geen aanslag is waarbij verrekening van loonbelasting achterwege is gebleven. Derhalve heeft appellante bij de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van betrokkene in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.9 van de WSF 2000 het door de Belastingdienst voor het peiljaar vastgestelde verzamelinkomen als maatstaf gehanteerd.

4.4. Nu voor toepassing van artikel 3.9, tweede lid, van de WSF 2000 in het onderhavige geval geen plaats is, is de rechtbank ten onrechte tot het onder overweging 2 weergegeven oordeel gekomen en moet deze uitspraak om die reden worden vernietigd.

4.5.1. Vervolgens ligt in dit geding opnieuw de vraag ter beantwoording voor of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

4.5.2. In dit verband overweegt de Raad allereerst dat de tekst van artikel 3.9 van de WSF 2000, voor zover van toepassing, volstrekt helder is en geen ruimte laat voor twijfel over de strekking ervan. Derhalve is er geen grond om deze dwingendrechtelijke regeling anders dan strikt grammaticaal uit te leggen. De Raad merkt daarbij nog op dat hij ingevolge artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen de innerlijke waarde en de billijkheid van de wet niet mag toetsen.

4.5.3. Uit de tekst van artikel 3.9 van de WSF 2000 volgt dat indien de Belastingdienst over het peiljaar bij aanslag een verzamelinkomen vaststelt waarbij verrekening van loonbelasting niet achterwege is gebleven, appellante daarbij voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage dient aan te sluiten. Appellante heeft daarom niet de mogelijkheid om, al dan niet met toepassing van de hardheidsclausule, ten gunste van betrokkene een uitzondering te maken op de wettelijke regeling.

4.5.4. Gelet op wat onder 4.5.2. en 4.5.3. is overwogen, komt de Raad tot het oordeel dat in hetgeen door betrokkene naar voren is gebracht geen grond is gelegen om het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid, niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd of anderszins onrechtmatig te achten.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep doel treft, dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep van betrokkene ongegrond moet worden verklaard.

6. Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E.M. de Bree.

JL