Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-5139 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. In bestreden besluit is terecht een niet-ontvankelijkverklaring van gemaakte bezwaar tegen aanzegbrief achterwege gelaten. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5139 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 14 juli 2006, 05/2462 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij [naam werkgever] te [plaatsnaam], hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en voorts een rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 31 oktober 2006 overgelegd.

De gemachtigde van appellante heeft op 11 januari 2008 ter nadere onderbouwing een rapport van de psychiater A.R. Hertroijs van 9 februari 2007 overgelegd, waarop het Uwv heeft gereageerd door overlegging van het rapport van Deitz van 12 februari 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008.

Appellante is - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als activiteitenbegeleidster toen zij zich op 9 januari 2001 ziek meldde in verband met fybromyalgie en chronische vermoeidheid. Met ingang van 31 januari 2002 ontving zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Deze uitkering werd na een ziekmelding op 12 september 2002 met ingang van 10 oktober 2002 herzien naar de klasse 80 tot 100%.

2.1. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 7 januari 2005 onderzocht door de verzekeringsarts J. ten Kortenaar. Blijkens haar rapport van 20 januari 2005 meldde appellante dat de pijnklachten en de klachten van vermoeidheid hetzelfde zijn gebleven, maar dat er naast de zorg voor haar op 16 november 2003 geboren zoon niets meer over blijft. Bij haar onderzoek stelde Ten Kortenaar alleen aan de rug geringe bewegingsbeperkingen vast en waren er geen tekenen van psychisch disfunctioneren of concentratiestoornissen. Op basis van haar onderzoek achtte Ten Kortenaar een verminderde belastbaarheid op een aantal onderdelen van de dynamische handelingen en statische houdingen gerechtvaardigd, maar zag zij geen aanleiding voor beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Gezien het dagverhaal achtte

Ten Kortenaar - in tegenstelling tot eerdere beoordelingen - geen redenen aanwezig voor een urenbeperking. Deze bevindingen werden neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarna bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding het verlies aan verdienvermogen werd berekend op 9,04%. In overeenstemming hiermee nam het Uwv het besluit van 1 april 2005, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 24 april 2005 werd ingetrokken.

2.2. In de bezwaarprocedure onderschreef de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Deitz op 28 juni 2005 het onderzoek en de conclusies van Ten Kortenaar. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 29 juni 2005 het tegen het besluit van 1 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond.

3.1. In de beroepsprocedure tegen het besluit van 29 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) is namens appellante aangevoerd dat zij als gevolg van haar aanzienlijke lichamelijke en psychische klachten meer beperkingen had dan door het Uwv waren aangenomen en dat zij volledig arbeidsongeschikt was.

3.2. Ter onderbouwing van dit standpunt legde haar gemachtigde een ongedateerde brief van de radiodiagnost R.B. Noordveld over, die vermeldde dat de tussenwervelruimten L3-L4 en L4-L5 iets onderscheidenlijk duidelijk versmald waren. Volgens Noordveld past een en ander bij een discopathie en waren er geen aanwijzingen voor een morbus Bechterew. De gemachtigde bracht voorts in een rapport van de psychologen

drs. N.J.J. Lommers en drs. M.M. Kranz van 12 december 2005, die appellante voor een intake zagen op 7 en 9 december 2005. Appellante gaf daarbij aan dat haar stemmingswisselingen en pijn dat jaar waren toegenomen als gevolg van recente spanningen in de privésfeer en de herkeuring begin 2005 voor de WAO. Als diagnose stelden deze psychologen een ongedifferentieerde somatoforme stoornis.

3.3. In reactie op de in 3.2 vermelde informatie gaf Deitz op 12 juni 2006 aan dat voor appellante rugbeperkingen zijn vastgesteld welke passen bij de bevindingen van de verzekeringsarts en de radiodiagnost. Wat betreft het intake-verslag noteerde Deitz dat er geen psychopathologie bij appellante aanwezig is en dat de door de psychologen gestelde diagnose past bij de klachten van chronische vermoeidheid van appellante.

4. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Zij onderschreef, mede na weging van de ingebrachte (medische) informatie en de reactie van Deitz daarop, de medische grondslag van het bestreden besluit. Met Deitz zag de rechtbank in de informatie van de radiodiagnost geen aanleiding voor het stellen van meer beperkingen, terwijl de rechtbank wat betreft het rapport van de beide psychologen wees op de daarin vermelde oorzaak van de gestelde toename van de klachten, welke toename naar haar oordeel buiten de omvang van het haar voorgelegde geding viel. De rechtbank achtte voorts de medische geschiktheid van de aan appellante geduide functies ook wat betreft de zogenoemde “G”-signaleringen reeds met de toelichting in het arbeidskundig rapport van 23 februari 2005 genoegzaam gemotiveerd.

5.1. In hoger beroep herhaalde de gemachtigde van appellante in essentie de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten en legde hij het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van de psychiater Hertroijs over. Hertroijs stelde bij zijn onderzoek op 23 januari 2007 een forse toename sinds een aantal maanden van de klachten van appellante vast, gaf dezelfde diagnose als de psychologen Lommers en Kranz en voegde daar aan toe dat sprake was van een chronische pijnstoornis. Hertroijs concludeerde tot geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDBM) op de datum in geding.

5.2. Deitz stelde in reactie op Hertroijs dat de door hem vastgestelde toename van klachten niet maatgevend is te achten voor de datum in geding, dat het standpunt van Hertroijs inzake GDBM op de datum in geding niet onderbouwd is en dat de anamnestisch gestelde concentratiestoornis, welke volgens Hertroijs niet getest is, niet consistent is met de vermelding dat appellante 20 bladzijden leest.

6.1. De Raad stelt voorop dat het Uwv in het bestreden besluit terecht een niet-onvankelijkverklaring van het door de toenmalige gemachtigde van appellante op

31 maart 2005 gemaakte bezwaar tegen de aanzegbrief van 23 februari 2005 achterwege heeft gelaten. Gelet op de bewoordingen van deze brief, waarin aan het begin onder meer sprake is van een beslissing over de mate van arbeidsongeschiktheid en het recht op uitkering van appellante en waarin de datum van intrekking nauwkeurig was aangegeven, houdt de Raad het ervoor dat appellante op het verkeerde been is gezet en, ondanks de vermelding aan het slot van de aanzegbrief van toezending binnenkort van een beschikking, redelijkerwijs kon menen, als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat het besluit reeds tot stand was gekomen.

6.3. De Raad heeft geen aanleiding gezien om ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank en hij onderschrijft de onder 4 samengevat weergegeven conclusies van de rechtbank dienaangaande.

De Raad tekent daarbij aan dat ook het in hoger beroep ingebrachte rapport van Hertroijs geen aanleiding geeft voor een ander oordeel. Dit rapport geeft immers geen wezenlijk andere visie dan die van Lommers en Kranz en met Deitz moet worden geoordeeld dat het standpunt van Hertroijs ten aanzien van de mogelijkheden van appellante op de datum in geding, mede gelet op de door hem ook aangegeven meer recente toename van klachten, een specifieke op die datum afgestemde motivering ontbeert.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, ten aanzien waarvan de gemachtigde in hoger beroep overigens niet meer heeft gesteld dan dat appellante zich in verband met haar medische grieven uiteraard ook niet kan verenigen met de geduide functies, ziet de Raad evenmin aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank.

6.3. Uit het overwogene in 6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.4. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A. Wit.

RB