Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-4707 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4707 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 juli 2006, 05/2546 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 20 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Moonen, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Moonen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 maart 2005 heeft het Uwv de aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 4 mei 2005 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.

1.2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van

25 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de medische beperkingen van appellant op een onjuiste wijze zouden zijn vastgesteld. Ten aanzien van de geduide functies is naar het oordeel van de rechtbank door het Uwv afdoende gemotiveerd waarom appellant in staat zou moeten zijn met inachtneming van zijn beperkingen de aan deze functies verbonden werkzaamheden te verrichten.

3. In hoger beroep voert appellant in essentie dezelfde gronden aan als in het beroep bij de rechtbank. Voorts stelt appellant dat het Uwv niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het theoretisch verlies aan verdiencapaciteit ten gevolge van de beperkte belastbaarheid van appellant is gesteld op 14%, terwijl de berekening uitkomt op 14,96%. Appellant bepleit een afronding tot 15%. Ten slotte is erop gewezen dat appellant sedert 22 augustus 2006 opnieuw in aanmerking is gebracht voor een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

4.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de argumenten van appellant afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom die argumenten niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

4.2. Hetgeen namens appellant in hoger beroep nog is aangevoerd kan volgens de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Van de talrijke stukken die appellant nog heeft overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen was een deel al eerder in de procedure in het geding gebracht en bevat een ander deel geen nieuwe gegevens met betrekking tot de medische situatie van appellant op de datum in geding, 4 mei 2005.

Ook de omstandigheid dat aan appellant opnieuw een WAO-uitkering is toegekend maakt dit niet anders.

Aan hetgeen namens appellant ter zitting van de Raad nog is gesteld met betrekking tot de toepassing van een onjuist indexcijfer op het maatmaninkomen en het bij de functie verkoper technische groothandel behorende loon dat in 2007 lager zou zijn dan in 2005 gaat de Raad voorbij wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing van hetgeen is aangevoerd.

4.3. De stelling van appellant dat de mate van arbeidsongeschiktheid die wordt aangegeven met twee cijfers achter de komma, naar boven dient te worden afgerond, treft geen doel. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 4 september 2007, LJN: BB3600.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) A. Wit.

JL