Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-4034 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Chronisch vermoeidheidssyndroom. Voldoende medische grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4034 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2006, 05/2196 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J.H.M. Achten, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008.

Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Achten. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. van Leeuwen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven gronden tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 24 oktober 2005 – waarbij in bezwaar is gehandhaafd het besluit de WAO-uitkering van appellante per 9 mei 2005 in te trekken – ongegrond is.

2.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij als gevolg van het chronisch vermoeidheidssyndroom, een schildklierafwijking en rugklachten buiten staat is loonvormende arbeid te verrichten.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante overgelegd verklaringen van J.L.M. de Win, radioloog, gedateerd 25 juli 2006, van M.F. Driessen-Kletter, neuroloog, gedateerd 3 augustus 2006, en van dr. R.C.W. Vermeulen, verbonden aan Research Center Amsterdam, gedateerd 24 augustus 2006, alsmede een afdruk van een e-mail van Vermeulen aan appellante, gedateerd 14 november 2006.

3.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot het chronisch vermoeidheidssyndroom en de schildklierafwijking vormt een herhaling van hetgeen door appellante reeds in beroep is gesteld.

De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen appellante heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv de daaruit voortvloeiende beperkingen heeft onderschat.

3.2. De in hoger beroep overgelegde verklaring en e-mail van Vermeulen bevatten geen nieuwe relevante gezichtspunten. Zijn standpunt dat appellante lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom wordt door het Uwv gedeeld. In het aan het besluit van

24 oktober 2005 ten grondslag liggende rapport van de bezwaarverzekeringsarts

J.M. Fokke van 2 augustus 2005 is vermeld dat bij het vaststellen van de voor appellante geldende beperkingen ervan is uitgegaan dat bij appellante het vermoeidheidssyndroom aanwezig is en dat hiermee rekening dient te worden gehouden en ook is gehouden.

Het rapport van Vermeulen biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de mogelijkheden van appellante heeft overschat. De conclusie van Vermeulen dat appellante meer dan de helft van de tijd thuis rust nodig heeft, maar dat lichte taken probleemloos mogelijk zijn is - daargelaten hoe dit in het licht van de in de WAO opgenomen systematiek tot het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden begrepen - hiervoor niet op voldoende inzichtelijke wijze onderbouwd.

3.3. De door appellante gestelde rugklachten leiden evenmin tot het oordeel dat haar mogelijkheden tot het verrichten van werkzaamheden zijn overschat. De verklaringen van De Win en Driessen-Kletter zien niet op de datum in deze procedure in geding, zijnde

9 mei 2005. De Raad wijst erop dat uit met name de verklaring van Driessen-Kletter overigens veeleer blijkt dat sprake is van een toename van de klachten per begin

mei 2006.

3.4. De grief van appellante dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opvatting omtrent de arbeidsongeschiktheid van appellante is gewijzigd, treft geen doel. Het Uwv is niet gehouden de wijziging als door appellante bedoeld te motiveren, maar dient - zoals in dit geval ook is gedaan - te motiveren zijn standpunt omtrent de arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding.

3.5. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat in de door het Uwv aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen belastingen voorkomen die de mogelijkheden van appellante tot het verrichten van werkzaamheden - zoals door het Uwv vastgesteld - overschrijden.

3.6. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E.M. de Bree.

JL