Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-4767 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Voldoende rekening gehouden met beperkingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4767 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 juli 2006, 05/1257 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Offermans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was voorheen werkzaam als vorkheftruckchauffeur en heeft met ingang van 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Op 30 juni 2003 heeft appellant zich vanuit die situatie ziekgemeld in verband met onder meer hartkloppingen.

1.2. Op 19 juli 2004 is appellant verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts. In diens rapportage van 19 juli 2004 is vermeld dat appellant de mogelijkheid voorgelegd is - teneinde tot een nieuwe re-integrerende aanpak te komen - een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan te vragen. Appellant heeft geopteerd voor die aanpak. De verzekeringsarts heeft, mede aan de hand van de aanwezige informatie van behandelaars, de beperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uitgaande van 30 juni 2003 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en aangegeven dat arbeidskundig onderzoek dient plaats te vinden. De verzekeringsarts heeft nadere informatie ingewonnen bij behandelaars en in zijn nadere rapportage van 15 december 2004 geconcludeerd dat de beperkingen in de FML juist zijn weergegeven. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd aan de hand van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en in zijn rapportage van 22 december 2004 het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 30,55%. Bij besluit van 23 december 2004 is appellant met ingang van 28 juni 2004 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 25 april 2005 overwogen dat appellant over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt en dat de beperkingen op de FML juist zijn weergegeven. Bij besluit op bezwaar van 6 juli 2005 (bestreden besluit) is het besluit van 23 december 2004 gehandhaafd voor zover het ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid.

1.4. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in een rapportage van 27 september 2005 de geschiktheid van de geselecteerde functies toegelicht. Geconcludeerd is dat het verlies aan verdiencapaciteit 32,88% bedraagt.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, het Uwv veroordeeld in de proceskosten en is bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft zich verenigd met de medische grondslag van het bestreden besluit. Van een toereikende arbeidskundige grondslag was naar het oordeel van de rechtbank eerst in de beroepsfase sprake.

1.6. In een rapportage van 9 april 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van de geselecteerde functies nader toegelicht.

2. Op 30 april 2008 heeft de Raad een aantal nadere stukken ontvangen van gemachtigde van appellant. De Raad stelt vast dat deze stukken - gelet op artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - niet tijdig zijn ingediend. Ter zitting heeft het Uwv verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten voor zover deze niet van het Uwv zelf afkomstig zijn. Mede gelet op dit verzoek is de Raad van oordeel dat deze stukken buiten beschouwing dienen te blijven. De Raad heeft geen aanleiding gezien het onderzoek te schorsen of te heropenen.

3.1. Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

3.2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt en voorts dat zijn beperkingen onvoldoende zijn onderkend en meerdere van de geselecteerde functies ongeschikt zijn.

3.3. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Appellant heeft betoogd dat het medisch onderzoek onvoldoende is geweest omdat het onderzoek van de verzekeringsarts in het kader van de Ziektewet heeft plaatsgevonden en niet was gericht op de vraag naar de geschiktheid voor passende arbeid - hetgeen het Uwv heeft betwist - en de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft volstaan met dossieronderzoek. De Raad constateert dat de verzekeringsarts appellant op zijn spreekuur van 19 juli 2004 heeft gezien, een FML heeft opgesteld en verwezen naar arbeidskundig onderzoek. De Raad ziet derhalve niet in dat het onderzoek niet gericht zou zijn geweest op het vaststellen van beperkingen voor passende arbeid - dat wil zeggen theoretische functies - in het kader van de WAO. Daaraan doet niet af dat de verzekeringsarts - zo begrijpt de Raad de gang van zaken - appellant heeft gevraagd naar zijn eigen visie op hervatting in de maatmanarbeid dan wel re-integratie in ander werk en die visie in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Gelet daarop overweegt de Raad - in overeenstemming in zoverre met het oordeel van de rechtbank - dat de bezwaarverzekeringsarts heeft mogen volstaan met dossieronderzoek en het bijwonen van de hoorzitting.

4.3. Appellant heeft gesteld, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, dat bij het stellen van de beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met (de combinatie van) de borderline en dysthyme stoornis, zijn hartritmestoornis en zijn diabetesklachten. Door de combinatie van de klachten is zijn diabetes niet goed instelbaar en heeft appellant last van zogeheten hypo’s en van wegrakingen. Hij acht zich niet geschikt voor werk met machines en werk met veiligheidsrisico’s. Volgens appellant ziet de beperking voor persoonlijk risico ten onrechte alleen op werk met sterk risicovolle condities.

4.4. De Raad overweegt dat de (bezwaar)verzekeringsarts rekening heeft gehouden met informatie van de behandelend internist-endocrinoloog, cardioloog en psychiater. De cardioloog heeft in een brief van 17 september 2003 aangegeven dat sprake is van hartklachten die samenhangen met de slechte conditie van appellant. In een brief van

16 januari 2004 van de internist-endocrinoloog is vermeld dat appellant last heeft van hypo’s en dat de bewustwording ervan, die nodig is om controle te krijgen over de bloedglucosewaarden, verminderd is door het gebruik van bètablokkers, en dat hij frequent zijn bloedglucosewaarden moet controleren, met name vóór het autorijden. In een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 25 februari 2004 is vermeld dat de internist-endocrinoloog telefonisch heeft laten weten een schriftelijke vraag naar de rijvaardigheid van appellant in het belang van de arts-patiëntrelatie niet te willen beantwoorden. Tijdens het telefonisch overleg op 8 juni 2004 heeft de internist-endocrinoloog aangegeven dat vanwege hypo’s niet rijden op een vorkheftruck impliceert ook niet rijden in de auto. De kans op een wegraking is groter naarmate hypo’s vaker voorkomen.

In een rapportage van 3 mei 2004 heeft de behandelend psychiater aangegeven dat appellant lijdt aan een dysthyme stoornis en een borderline-persoonlijkheidsstoornis, waarvoor hij onder behandeling is en medicijnen gebruikt. De GAF-score van appellant is 65. Op 15 december 2004 heeft de verzekeringsarts nadere telefonische inlichtingen van de psychiater ingewonnen. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft op basis van deze informatie en het onderzoek op het spreekuur een aantal beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren, waaronder de beperking voor sterk risicovolle condities, en voor nachtdiensten. De verzekeringsarts heeft daarbij rekening gehouden met de kans op ontregeling in combinatie met de psychische problemen van appellant. De verzekeringsarts heeft overwogen dat geen aanknopingspunten bestaan voor een

AS-I-toestandsbeeld met belangrijke functionele implicaties en dat bij een GAF-score van 65 geen sprake is van een sterk verminderd algemeen niveau van functioneren. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 25 april 2005 ingestemd met het onderzoek en de oordeelsvorming van de verzekeringsarts. In een rapportage van

19 september 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd al eerder in de beschouwing is betrokken.

4.5. De Raad overweegt dat de (bezwaar)verzekeringsarts in navolging van de psychiater de dysthyme stoornis als AS-I-stoornis en de borderline-persoonlijkheidsstoornis als AS-II-stoornis heeft aangemerkt. Anders dan appellant heeft gesteld ziet de Raad niet in dat de (bezwaar)verzekeringsarts AS-I- en AS-II-indicaties zou hebben verwisseld.

4.6. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Appellant heeft geen informatie van behandelaars overgelegd op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft gesteld dat de aard en de ernst van de persoonlijkheidsstoornis op de hier in geding zijnde datum 28 juni 2004 eerst duidelijk zijn geworden na de zelfmoordpoging van appellant op 31 maart 2005 en uit psychologisch onderzoek naar de gezinsproblematiek. Uit diens rapportage van 25 april 2005 leidt de Raad af dat de bezwaarverzekeringsarts bekend was met deze gegevens, maar niettemin heeft geconcludeerd dat per de datum in geding sprake was van een gestabiliseerd medisch toestandbeeld. De Raad is niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsarts hiermee de aard en ernst van de psychische beperkingen heeft miskend.

4.7. Voorts ziet de Raad geen concrete aanwijzingen dat de wegrakingen een verdergaande beperking mee zouden brengen dan de gestelde beperking voor sterk risicovolle condities. Het feit dat appellant stelt niet meer in staat te zijn tot het besturen van een vorkheftruck geeft de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze beperking. De Raad wijst op de hiervoor weergegeven informatie van en het overleg van de verzekeringsarts met de behandelend specialisten. Niet is gebleken van medische gegevens die erop duiden dat appellant in het geheel niet meer in staat zou moeten worden geacht met machines te werken. Voorts ziet de Raad geen aanwijzingen voor aanvaarding van appellants stelling - die door het Uwv is betwist - dat hij beperkt is voor werk in ploegendiensten. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant blijkens de FML niet in staat wordt geacht ’s nachts te werken. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat appellant op de datum in geding beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden en dat zijn beperkingen voldoende zijn onderkend.

4.8. De stelling van appellant dat het niet op zijn weg ligt aan te tonen dat de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zijn, aangezien het behandelend artsen niet vrij zou staan zich uit te spreken over de mate van arbeidsongeschiktheid, verwerpt de Raad. In dit verband wijst de Raad erop - onder verwijzing naar zijn uitspraak van

24 februari 1999, LJN: AL0984 - dat informatie van de behandelend sector onmiskenbaar van invloed kan zijn op de uitkomst van procedures als de onderhavige.

4.9. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hij in zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (onder meer LJN: AY9971) tot de slotsom is gekomen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals deze zijn beschreven in meergenoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004, in voldoende mate zijn opgeheven.

4.10. De primaire arbeidsdeskundige is blijkens de Notities functiebelasting tot de conclusie gekomen dat in de geselecteerde functies van brander/snijder/soldeerder/sloper (sbc-code 264100) geen sprake is van sterk risicovolle condities. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in haar rapportage van 27 september 2005 aangegeven dat er geen reden is waarom appellant geen machines zou kunnen bedienen. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze overwegingen. De Raad verwerpt dan ook de stelling van appellant dat de werkzaamheden in die functies tot onaanvaardbare veiligheidsrisico’s zouden leiden in het geval dat appellant een hypo krijgt. Ook overigens is niet gebleken dat in de geselecteerde functies sprake is van sterk risicovolle condities.

4.11. De Raad stelt vast dat in de rapportages van 27 september 2005 en 9 april 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige een motivering is gegeven van alle signaleringen die het CBBS bij de drie aan de schatting ten grondslag liggende functies (sbc-codes 111340, 268030 en 264100) heeft gepresenteerd. Op basis van deze motivering acht de Raad aannemelijk dat appellant per 28 juni 2004 in staat is deze drie functies te vervullen. Naar het oordeel van de Raad heeft een toereikende onderbouwing van de arbeidskundige grondslag evenwel eerst in hoger beroep plaatsgevonden.

5. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM