Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
07/1088 AW, 07/4830 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet kunnen afronden van opleiding. Beëindiging van dienstverband voor bepaalde tijd, aangegaan voor de duur van een opleiding. Niet verlengen tijdelijke aanstelling; geen continuïteit in functioneren als gevolg van ziekteverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1088 AW en 07/4830 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2007, 05/3931 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 19 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 16 april 2007 een nieuw besluit genomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 mei 2008, waar namens appellant is verschenen mr. A.A. Boes-Kouwenoord, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is, zoals eerder aangekondigd, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 oktober 2003 aangesteld in tijdelijke dienst bij de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam voor de duur van haar opleiding Werk en Inkomen voor de functie van medewerker Dienstverlening. Nadat betrokkene was geslaagd voor haar theoretisch examen, is zij begin december 2003 om medische redenen uitgevallen. Eind januari 2004 heeft zij haar werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis hervat. Na hersteldverklaring per 11 juni 2004, is zij met ingang van 23 juni 2004 opnieuw uitgevallen om medische redenen. Begin juli 2004 heeft zij haar werkzaamheden hervat waarna zij zich op 10 augustus 2004 wederom heeft ziek gemeld.

1.2. Bij besluit van 6 september 2004 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat de beroepsopleiding per 1 oktober 2004 wordt beëindigd en dat haar aanstelling afloopt op 16 november 2004. Appellant heeft dat besluit doen steunen op een advies van de bedrijfsarts van 31 augustus 2004 waarin deze concludeert dat betrokkene om medische redenen ongeschikt is voor haar eigen functie en daarin niet kan terugkeren.

1.3. Appellant heeft dat besluit, na daartegen door betrokkene gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 6 juli 2005. Daarin heeft appellant het nadere standpunt ingenomen dat betrokkene wegens het niet afleggen van de praktijktoets en het ontbreken van een eindbeoordeling van haar functioneren niet het diploma Werk en Inkomen heeft behaald dat is vereist voor aanstelling in vaste dienst.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. Tevens zijn bepalingen over proceskosten en griffierecht gegeven.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat appellant ten onrechte is overgegaan tot het beëindigen van de aanstelling van betrokkene. Die aanstelling betreft een dienstverband voor bepaalde tijd, aangegaan voor de duur van een opleiding. Nu betrokkene die opleiding niet heeft kunnen afronden, dient, zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 mei 2004, LJN AP0601, de vraag te worden beantwoord of appellant in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene niet aan in redelijkheid te stellen eisen en verwach-tingen heeft voldaan. De Raad beantwoordt die vraag in het navolgende evenals de rechtbank ontkennend.

3.2. Zoals eerder is overwogen in de uitspraak van de Raad van 18 maart 2004, LJN AO7610 en TAR 2004, 90, behoort ook het met een voldoende continuïteit, zonder langdurig ziekteverzuim, vervullen van de functie tot hetgeen een bestuursorgaan redelijkerwijs van een ambtenaar mag verwachten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het - steeds geaccepteerde - ziekteverzuim van betrokkene moet worden toegeschreven aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden in het jaar van opleiding en dat daaruit niet kan worden afgeleid dat betrokkene niet in staat is tot continuïteit in haar aanwezig-heid en werkzaamheden. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en in grote lijnen ook de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd.

3.3. Betrokkene is geslaagd voor haar theorietoets voordat zij in december 2003 om medische redenen is uitgevallen. De door ziekteverzuim opgelopen achterstand in haar praktijkopleiding heeft appellant aanvankelijk geen aanleiding gegeven tot de conclusie dat het functioneren van betrokkene tekortschoot. Uit een e-mailbericht van het hoofd van de afdeling Opleidingen van 4 februari 2004 aan de leidinggevende (D) van betrokkene blijkt dat die achterstand niet onoverkomelijk was, mits haar begeleiding zou worden geboden. Verder blijkt uit een over het tijdvak van 8 maart tot en met 31 mei 2004 opgemaakte beoordeling niet dat betrokkene onvoldoende functioneerde. Weliswaar is daarin haar functioneren op drie van de veertien gezichtspunten - te weten: kennis, beslissingen nemen en tempo - gewaardeerd met een “C” (voldeed nog niet aan de eisen), maar dat biedt onvoldoende rechtvaardiging voor de conclusie dat dit niet voldeed aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen. D en de senior medewerker die betrokkene heeft begeleid, hebben in een toelichting op die beoordeling aangegeven dat betrokkene er al in slaagt redelijk zelfstandig te werken, dat haar productie voldoende is voor het aantal gewerkte uren en dat de inwerkperiode iets langer dan gewoonlijk zal duren maar dat dit geen probleem hoeft te zijn. Bovendien heeft D in een van de zijde van appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van 12 februari 2007 aangegeven dat betrokkene het niet slecht deed en dat de door hem toegekende C-scores zijn ingegeven doordat betrokkene wegens haar ziekte/afwezigheid minder kennis heeft kunnen vergaren dan medewerkers die wel de volledige opleiding hadden doorlopen.

3.4. De omstandigheid dat betrokkene geen praktijktoets heeft gedaan, leidt niet tot een andere conclusie. Betrokkene is door D niet voor die toets aangemeld omdat hij haar vanwege de opgelopen achterstand onvoldoende in staat achtte deze met succes af te leggen. In voormelde verklaring heeft D aangegeven dat het zijn bedoeling was de proeftijd van betrokkene te verlengen ten einde haar meer praktijkervaring te laten opdoen. Daargelaten of juist is gehandeld door betrokkene geen toets te laten doen, rechtvaardigt die omstandigheid niet het oordeel dat betrokkene niet aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen voldeed.

3.5. Ten slotte biedt ook het gegeven dat over het functioneren van betrokkene geen eindbeoordeling is opgemaakt geen grond voor dat oordeel. De gedingstukken laten zien dat de eindbeoordeling achterwege is gebleven omdat de leidinggevende D in augustus 2004 naar een andere afdeling was vertrokken. Voor zover over het functioneren van betrokkene geen goed beeld kon worden gevormd, bestond in de gegeven omstandig-heden aanleiding te bezien of die onduidelijkheid kon worden weggenomen met een verlenging van haar opleiding.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

4. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 16 april 2007 heeft appellant, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene. Daarbij heeft appellant zijn besluit van 16 november 2004 gehandhaafd met een in essentie gelijkluidende motivering als die welke hij aan zijn door de rechtbank vernietigde besluit van 6 juli 2005 ten grondslag had gelegd. Gelet op het voorgaande komt het besluit van 16 april 2007, dat de Raad op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in dit geding mede beoordeelt, eveneens voor vernietiging in aanmerking.

Appellant zal opnieuw ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een beslissing op het bezwaar van betrokkene moeten nemen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 16 april 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 april 2007;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,- , te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD