Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-5589 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Eerst in hoger beroep deugdelijke onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5589 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 september 2006, 06/862 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2008. Betrokkene is niet verschenen. Het Uwv heeft laten vertegenwoordigen door M.J. Lagerweij.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die tezamen met zijn echtgenote een aannemersbedrijf exploiteert, heeft op 14 januari 2005 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd. Appellant heeft opgegeven dat hij als gevolg van gewrichts- en vermoeidheidsklachten ten gevolge van tropische infecties vanaf

13 oktober 2003 arbeidsongeschikt is.

1.2. Op 12 mei 2005 is appellant onderzocht door verzekeringsarts i.o. A.H.W.M. Lemlijn-Slenter die bij lichamelijk onderzoek geen grote, tot beperkingen leidende afwijkingen heeft vastgesteld. Deze arts, die kennis heeft genomen van het ten behoeve van een particuliere verzekering door verzekeringsarts S. Knepper op 18 april 2005 uitgebrachte rapport, heeft bij oriënterend psychisch onderzoek geen grove pathologie gevonden. De conclusie van dit onderzoek was dat appellant beperkt is voor lichamelijke zware arbeid en dat hij in aangepaste arbeid hele dagen kan werken.

De opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geeft aan dat appellant in verband met zijn energetische beperkingen op een aantal onderdelen niet boven de normaalwaarde belastbaar is. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingsysteem (CBBS) voor appellant een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming zijn met zijn beperkingen en waarmee appellant in vergelijking tot zijn maatmaninkomen een zodanig inkomen kan verwerven dat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

1.3. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2005 geweigerd aan appellant met ingang van 11 oktober 2004 een WAZ-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 15 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juni 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Voorts is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de bezwaartermijn weliswaar is overschreden, maar dat die overschrijding niet zodanig is dat gezegd moet worden dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, aangevoerd dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat afgeweken zou moeten worden van het standpunt van verzekeringsarts Knepper. Deze arts achtte het aannemelijk dat appellant depressief is en om die reden niet in staat om zwaar werk te verrichten en hele dagen te werken. Volgens appellant had de bezwaarverzekeringsarts appellant moeten oproepen voor het spreekuur om zichzelf te vergewissen over de klachten van depressieve aard. Voorts acht appellant het CBBS nog steeds onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar. Volgens appellant is bij de berekening van de mate van de arbeidsongeschiktheid uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen, onder meer omdat daarbij ten onrechte de CBS-indexcijfers voor de Regelingslonen totaal zijn gebruikt. Ten slotte heeft appellant zich onveranderd op het standpunt gesteld dat in de bezwaarfase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden.

4.1. Bij het onderzoek op 12 mei 2005 heeft de verzekeringsarts de bevindingen van verzekeringsarts Knepper in ogenschouw genomen, maar heeft bij het eigen oriënterend psychisch onderzoek bij appellant geen grove pathologie kunnen vinden. Verzekeringsarts Knepper heeft weliswaar aannemelijk geacht dat appellant depressief is, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan een psychiater is om dit nader vast te stellen. Verzekeringsarts Lemlijn-Slenter heeft gerapporteerd dat appellant eenmalig bij een psychiater is geweest en dat hij geen vertrouwen had in deze hulpverlening. Na bestudering van de beschikbare gegevens is bezwaarverzekeringsarts N.G.M. van Alst tot de conclusie gekomen dat uit het functioneren van appellant op geen enkele wijze kan worden afgeleid dat sprake is van een psychiatrische stoornis. Deze arts heeft wel onderkend dat appellant depressieve klachten heeft mede omdat hij moet accepteren dat hij niet meer kan functioneren zoals voorheen. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant geen melding heeft gemaakt van de bevindingen van de psychiater die hij eenmalig heeft bezocht en evenmin gegevens heeft aangedragen die erop wijzen dat hij op 11 oktober 2004, de datum hier in geding, leed aan een depressie in engere zin.

4.2. Ter beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft de arbeidsdeskundige het maatmaninkomen van appellant berekend. Daarbij is, overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de Raad, uitgegaan van de aan appellant toegerekende winst uit onderneming in de drie kalenderjaren voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Deze winst in de jaren 2000 tot en met 2002 is vervolgens geïndexeerd om het maatmaninkomen van appellant per 11 oktober 2004 te berekenen. Daarbij zijn, analoog aan het bepaalde in artikel 8 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat artikel vanaf 1 oktober 2004 luidt, de indexcijfers van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen gehanteerd. De Raad is van oordeel dat, gelet op de datum hier in geding, bij deze berekening de juiste indexcijfers zijn gehanteerd.

4.3. In de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris van 2 april 2008 is uitgaande van een 50-urige werkweek van appellant en de mede daaruit voortvloeiende reductiefactor berekend dat appellant 18,15% arbeidsongeschikt is. De Raad kan in het midden laten of bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is uitgegaan van een werkweek van gemiddeld 50 uur. Bij een 40-urige werkweek is weliswaar sprake van een hoger inkomen per uur, maar dat leidt eveneens tot een hogere reductiefactor, hetgeen resulteert in dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid. In dit verband wijst de Raad op zijn uitspraak van 19 oktober 2007, LJN: BB6448.

4.4. Ten aanzien van de grief van appellant dat het CBBS nog steeds onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar is, overweegt de Raad het volgende. In zijn uitspraken van 12 oktober 2006, LJN: AY9971, inzake de door het Uwv naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, LJN: AR4716, aan het CBBS aangebrachte aanpassingen heeft de Raad overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde - welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde - alle onderkent en signaleert, waarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen - de verzekerde zelf, diens eventuele rechtshulpverlener alsmede de rechter - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsdarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies.

4.5. Wat betreft de signaleringen met een G heeft de Raad overwogen dat alle door het CBBS-systeem op de functiebelasting aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn. Bezwaararbeidsdeskundige Saris heeft in de rapportage van 2 april 2008 de aan de schatting ten grondslag gelegde functies besproken en alle in die functies voorkomende signaleringen alsnog van een toelichting voorzien. Gelet op deze nadere toelichting is de Raad van oordeel dat de aan die functies verbonden belasting valt binnen de belastbaarheid van appellant.

4.6. De vaststelling dat het bestreden besluit eerst in de hoger beroepsfase is voorzien van een deugdelijke onderbouwing leidt de Raad tot de conclusie dat aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

5. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat de rechtsgevolgen van vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten.

6. Met betrekking tot de grief van appellant inzake de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM stelt de Raad vast dat tussen het indienen van het bezwaarschrift op 27 juni 2005 en de definitieve beslechting van het geschil, waarin de Raad in hoger beroep op 25 juni 2008 uitspraak doet, nog niet een zodanige termijn is verstreken dat moet worden gesproken van schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM.

7. Tot slot acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en T. Hoogenboom en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

RB