Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
07/1551 AW, 07/5690 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesmanager landmeten. Het bestuursorgaan is wederom niet in staat gebleken een deugdelijke motivering te geven van het functiewaarderingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1551 AW en 07/5690 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 januari 2007, 06/2219 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellanten

Datum uitspraak: 19 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 september 2007 hebben appellanten ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 mei 2008, waar appellanten zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. J.W.A. Hakkert, drs. A. Mennes en mr. A.H.J. Visser, allen werkzaam bij de provincie Utrecht. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene, voordien werkzaam als landmeter, is met ingang van 1 december 2001 aangesteld in de functie van procesbeheerder landmeten bij de sector Geografische Informatievoorziening van de Provinciale Service Dienst van de provincie Utrecht. Na een reorganisatie waarbij de functie van procesbeheerder landmeten kwam te vervallen, is betrokkene met ingang van 1 januari 2004 aangesteld als procesmanager landmeten bij genoemde sector.

1.2. Bij besluit van 1 oktober 2004 hebben appellanten de functie van procesbeheerder landmeten ingedeeld in functietaakgroep 9 van de Bezoldigingsregeling provincie Utrecht 1997 (hierna: regeling) en bepaald dat dit besluit terugwerkt tot 1 september 2000. Bij besluit van 16 november 2004 hebben appellanten de functie van procesmanager land-meten ingedeeld in functietaakgroep 9 van de regeling en bepaald dat dit besluit terug-werkt tot 1 januari 2004.

1.3. Bij het bestreden besluit van 18 april 2006, voor zover thans van belang, hebben appellanten het door betrokkene tegen de besluiten van 1 oktober 2004 en 16 november 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door betrokkene tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellanten opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het door appellanten gehanteerde zogeheten Systeem voor Resultaatgericht Functiewaarderen 1997 (SRF-97) voorziet in indeling in functiegroepen op basis van puntenscores, waarbij iedere groep een aantal opeenvolgende scores omvat. Aan de hand van de functiebeschrijving van de te waarderen functie wordt uit een reeks een referentie-functie gekozen die het meest met de te waarderen functie overeenkomt. De puntenscore van die refenrentiefunctie geldt als uitgangspunt. Vervolgens wordt bezien of de te waarderen functie op de onderscheiden aspecten “verantwoordelijkheid”, “problematiek” en “deskundigheid” ten opzichte van de referentiefunctie even zwaar, dan wel een “nuance zwaarder” (+1), “zwaarder” (+2) of “duidelijk zwaarder” (+3) is. Ook een lichtere score is mogelijk.

3.2. Appellanten hebben - voor zover nog van belang - bij hun besluit van 16 november 2004, in navolging van een functiewaarderingsadvies van Eprom organisatie adviseurs, het standpunt ingenomen dat de functie van procesmanager landmeten op het aspect “problematiek” even zwaar is als, en op de aspecten, “verantwoordelijkheid” en “deskundigheid” een nuance zwaarder is dan de referentiefunctie procesbeheerder landmeten. Dit betekent dus een verhoging met twee punten ten opzichte van die referentiefunctie. Naar aanleiding van het op het bezwaar van betrokkene uitgebrachte advies van de bezwaaradviescommissie, waarin deze twijfel uitsprak over de scores op genoemde aspecten, hebben appellanten een second opinion gevraagd van Eprom. In het daarop uitgebrachte advies van 31 augustus 2005 komt Eprom tot de conlcusie dat op elk van de drie aspecten een +2 score gerechtvaardigd is. Tegelijkertijd concludeert Eprom dat de functie van procesmanager landmeten duidelijk zwaarder scoort dan de referentie-functie. Volgens het advies leidt dit evenwel niet tot indeling in een hogere schaal. Appellanten hebben dat advies overgenomen en de indeling in functietaakgroep 9 bij het bestreden besluit gehandhaafd.

3.3. De Raad volgt appellanten niet in hun betoog dat de rechtbank ten onrechte het advies van Eprom inconsistent heeft geacht en mitsdien het daarop gebaseerde bestreden besluit ten onrechte wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering heeft vernietigd. Gezien de in dat advies neergelegde conclusie dat de functie van proces-manager landmeten duidelijk zwaarder is dan de referentiefunctie, zou het, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, in lijn met de hiervoor onder 3.1 weergegeven systematiek zijn geweest dat een +3 score op de onderscheiden aspecten “verantwoor-delijkheid”, “problematiek” en “deskundigheid” was toegekend. Daarmee zou een puntentotaal zijn bereikt dat volgens de toepasselijke conversietabel leidt tot indeling in functietaakgroep 10. De stelling van appellanten dat de gebruikte kwalificatie ziet op het eindresultaat van de waardering, in haar geheel bezien, neemt de innerlijke tegenstrijdig-heid van het bestreden besluit niet weg.

De Raad tekent nog aan dat van de zijde van appellanten ter zitting is verklaard dat (ook) zijzelf het advies verwarrend achten.

4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 13 september 2007.

5.1. Bij het besluit van 13 september 2007 hebben appellanten aangegeven dat zij de rechtbank niet kunnen volgen en hebben zij met een in essentie gelijke motivering als die zij aan hun door de rechtbank vernietigde besluit ten grondslag hadden gelegd, hun besluit van 16 november 2004 wederom gehandhaafd.

5.2. Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen, volgt dat ook het besluit van 13 september 2007, voor zover thans nog in geschil, een deugdelijke motivering ontbeert. Daarom zal de Raad dit besluit in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.

5.3. Het gegeven echter dat appellanten wederom niet in staat zijn gebleken een deug-delijke motivering te geven van hun gehandhaafde functiewaarderingsbesluit leidt de Raad tot het oordeel dat appellanten daartoe kennelijk niet in staat zijn. Dit oordeel geeft de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Met verwijzing naar wat de Raad onder 3.3 heeft overwogen, stelt hij vast dat de functie van procesmanager landmeten van betrokkene met ingang van 1 januari 2004, gewaardeerd met 87 punten, in functie-taakgroep 10 van de regeling valt en deelt hij die functie in deze taakgroep in. Appellanten zullen het salaris van betrokkene dienovereenkomstig dienen te regelen.

6. Van proceskosten die met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 13 september 2007 voor zover daarbij het besluit van 16 november 2004 is gehandhaafd;

Herroept het besluit van 16 november 2004 en deelt de functie procesmanager landmeten van betrokkene met ingang van 1 januari 2004 in in functietaakgroep 10 van de Bezoldigingsregeling provincie Utrecht 1997;

Bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 13 september 2007;

Bepaalt dat van de provincie Utrecht een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD