Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-4283 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidskundige component van arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet aanmerken als zelfstandig deelbesluit. De Raad voegt daaraan thans toe dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in art. 6:13 Awb.Geen plaats voor gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4283 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 juni 2006, 05/5051 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 6 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 27 juli 2005 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 27 september 2005 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Appellant heeft bij besluit van 22 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) het besluit van 27 juli 2005 herroepen in die zin dat de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 27 september 2005 alsnog is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Voorts heeft appellant bij het bestreden besluit de uitkering met ingang van 15 januari 2006 ingetrokken.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard in verband met ontoereikendheid van de arbeidskundige onderbouwing van de herziening per 27 september 2005. Zij heeft dit besluit in zoverre vernietigd en appellant opgedragen voor het vernietigde gedeelte een nieuw besluit te nemen. In verband met de vernietiging heeft zij aan appellant opdracht gegeven tot vergoeding aan betrokkene van griffierecht en gemaakte proceskosten. Voor het overige heeft zij het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, voor zover thans nog relevant, overwogen dat de arbeidskundige onderbouwing van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit ontoereikend was, aangezien ten tijde van het nemen daarvan in het dossier niet de op 28 juni 2005 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aanwezig was en evenmin een lijst met de normaalwaarden die daarbij als uitgangspunt hadden gediend.

Voorts heeft de rechtbank niet aanvaardbaar geacht dat de bezwaararbeidsdeskundige niet bij alle signaleringen heeft toegelicht waarom zijns inziens geen overschrijding van betrokkenes belastbaarheid plaatsvindt. Hierdoor mist de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 27 september 2005 naar het oordeel van de rechtbank een toereikend niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat met de aanpassing van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), welke aanpassing tot stand is gekomen nadat in het CBBS door de Raad onvolkomenheden waren gesignaleerd (uitspraken van de Raad van 9 november 2004, o.a. LJN: AR4716), een zodanig niveau van verifieerbaarheid, inzichtelijkheid en toetsbaarheid van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is bereikt, dat dit systeem voldoende onderbouwing geeft voor een besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft het aangepaste CBBS toegepast bij het nemen van het besluit van 27 juli 2005 en het bestreden besluit. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant aanvullend verwezen naar de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (o.a. LJN: AY9971), waarin de Raad zich over deze aanpassing positief heeft uitgelaten.

De Raad overweegt het volgende.

Beide partijen hebben in de aangevallen uitspraak berust waar deze gaat over de intrekking van de uitkering per 15 januari 2006. Nu deze intrekking als een zelfstandig deelbesluit dient te worden aangemerkt, valt deze buiten de omvang van het geding in hoger beroep.

Met betrekking tot de herziening van de uitkering per 27 september 2005 overweegt de Raad in de eerste plaats als volgt.

Met verwijzing naar zijn uitspraken van 16 maart 2005 (LJN: AT1852) en 23 januari 2008 (LJN: BC2880) overweegt de Raad allereerst, ambtshalve, dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en – zo voegt de Raad daaraan thans toe – dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals de Raad in de uitspraken van 16 maart 2005 en 23 januari 2008, alsook in zijn uitspraak van 28 november 2007 (LJN: BB9311) heeft overwogen, betekent dit dat voor gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit geen plaats is.

Voorts overweegt de Raad het volgende.

In zijn uitspraken van 12 oktober 2006 heeft de Raad overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde – welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde – alle onderkent en signaleert. Hiermee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies.

In zijn uitspraak van 22 februari 2008, LJN: BC4826, heeft de Raad voorts overwogen dat het oordeel van de rechtbank dat een toereikende inzichtelijkheid en toetsbaarheid van de schatting slechts wordt bereikt als appellant een lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader verstrekt, geen steun vindt in de hiervoor samengevatte rechtspraak van de Raad.

Aldus kan de rechtbank niet worden gevolgd in haar zienswijze dat het bestreden besluit reeds hierdoor niet geacht kan worden zorgvuldig te zijn tot stand gekomen en deugdelijk te zijn gemotiveerd.

Appellant heeft aan het bestreden besluit een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 november 2005 ten grondslag gelegd, waarin door hem een nadere toelichting is gegeven bij de gesignaleerde aspecten die tot dan toe ongemotiveerd waren gepasseerd, aan welke toelichting overleg met de bezwaarverzekeringsarts is vooraf gegaan. Voorts heeft appellant in zijn aanvullende hoger beroepschrift per functie een aanvullende toelichting gegeven. De Raad oordeelt dat met deze aanvulling de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit toereikend is onderbouwd en ziet daarom, anders dan de rechtbank, geen reden om thans nog hogere eisen aan de motivering te stellen.

Mede gelet op de door appellant vastgestelde functionele beperkingen bij betrokkene ten aanzien van het verrichten van arbeid, is de Raad voorts niet gebleken dat betrokkene de werkzaamheden, behorende bij de door de arbeidskundige in aanmerking genomen functies, niet zou kunnen verrichten.

In de omstandigheid dat pas in de fase van het hoger beroep, met het aanvullende hoger beroepschrift, het bestreden besluit is voorzien van een – voordien ontbrekende – toereikende motivering, ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit voor zover betrekking hebbende op de herziening per 27 september 2005, te vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het besluit in zoverre geheel in stand te laten. Voorts zal de Raad in verband daarmee de door de rechtbank gegeven opdracht om een nieuw besluit te nemen vernietigen.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit voor wat betreft de schatting per 27 september 2005 is vernietigd, aan appellant is opgedragen daarvoor in de plaats een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak en het bestreden besluit in zoverre voor het overige in stand is gelaten;

Verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de herzieningsbeslissing per 27 september 2005 en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de Raad vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

JL