Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-3041 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3041 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 5 april 2006, 03/668 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.G. Muller, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2008. Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, eveneens advocaat te Haarlem. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Nicolaï.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als stratenmaker en is in 1993 uitgevallen voor deze werkzaamheden vanwege rugklachten en handklachten. Per einde wachttijd is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Vervolgens is hij in 1996 werkzaamheden gaan verrichten als schoonmaker; voor deze arbeid is hij op 20 september 2000 uitgevallen.

2.1. In het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft een verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon opgesteld waarin beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van rugbelasting, duimbelasting en conflicthantering. Vervolgens zijn aan de hand van het belastbaarheidspatroon verschillende functies geselecteerd. Uitgaande van het maatmanloon behorende bij de functie stratenmaker is het verlies aan verdiencapaciteit door de arbeidsdeskundige vastgesteld op 39,9%.

2.2. Bij besluit van 29 april 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant, die met ingang van 19 september 2001 (voorlopig) was vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%, per 1 mei 2002 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.3. Bij het bestreden besluit van 17 april 2003 is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft appellant een rapport ingebracht van 27 augustus 2003 van orthopedisch chirurg W.J. van der Ham, die aangeeft dat er bij appellant sprake is van een evidente instabiliteit van de lage rug met een sterk verminderde belastbaarheid.

4.1. Op verzoek van de rechtbank heeft orthopedisch chirurg J.J. Schrik op 23 november 2004 een rapport uitgebracht omtrent de gezondheidstoestand van appellant op 1 mei 2002. Deze deskundige heeft dossieronderzoek verricht, heeft appellant lichamelijk onderzocht en heeft röntgenfoto’s laten maken van de nek, rug, knieën en linker hand van appellant en geeft als diagnose: degeneratieve afwijkingen cervicaal passen bij zijn leeftijd; degeneratieve afwijkingen lumbaal passen bij zijn leeftijd; lichte patellofemorale irritatie aan knieën en arthrose van de CMC1 gewricht linkerhand posttraumatisch. Vanuit medisch oogpunt kan de deskundige zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant en acht hij appellant op 1 mei 2002 in staat om de voor hem geschikt geachte functies te verrichten.

4.2. Appellant heeft vervolgens een brief van revalidatiearts H.M. Huiskens van 7 maart 2005 ingebracht waarin deze aangeeft dat appellant zijn hele leven keihard gewerkt heeft en dat er sprake is van algehele slijtage waardoor hij op lichamelijk vlak absoluut niet belastbaar is en van verdere revalidatie is afgezien. Het duiden van de belastbaarheid door de deskundige in maat en getal is volgens revalidatiearts Huiskens volkomen irreëel.

De brief van revalidatiearts Huiskens heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om de onderzoeksresultaten en de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige niet te volgen en op grond hiervan te concluderen dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld. Het beroep van appellant is door de rechtbank ongegrond verklaard.

5. In hoger beroep verwijst appellant wederom naar de brief van revalidatiearts Huiskens en verzoekt hij om een deskundige die opnieuw zijn belastbaarheid onderzoekt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van revalidatiearts

A. Lindenhoff van 11 maart 2008 overgelegd die ook van oordeel is dat appellant niet in staat om aan het arbeidsproces deel te nemen. Ten slotte heeft appellant aangegeven dat het Uwv met ingang van 1 juni 2004 zijn WAO-uitkering heeft verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

6. Het Uwv ziet op grond van deze medische stukken geen aanleiding om terug te komen op de vastgestelde belastbaarheid. Het bestaan van klachten aan de nek, rug, knieën en linkerhand is bekend en deze zijn onderzocht door orthopedisch chirurg Schrik die tot het oordeel komt dat er sprake is van degeneratieve verschijnselen passend bij de leeftijd, waarvoor voldoende beperkingen zijn opgenomen in het belastbaarheidspatroon. Daarnaast vond de revalidatiebehandeling bij revalidatiearts Huiskens plaats na de datum in geding en is de aangegeven schildkliercarcinoom eveneens van na de datum in geding.

7.1. Aan de Raad ligt de vraag voor of hij de rechtbank volgt in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad overweegt als volgt.

7.2. De Raad kent evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan het door voornoemde deskundige op 23 november 2004 uitgebrachte rapport. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellant, waarbij nadrukkelijk aandacht is besteed aan de klachten van appellant en waarbij kennis is genomen van de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder de rapportage van orthopedisch chirurg Van der Ham. Naar aanleiding van de brief van revalidatiearts Huiskens van 7 maart 2005 heeft de deskundige in zijn aanvullende rapportage van 4 augustus 2005 aangegeven dat de arbeidsdeskundige de aangewezen persoon is om uitspraken te doen over de belasting in duur en frequentie en dat dit door hem is getoetst aan zijn medische kennis en ervaring; daarbij vraagt de deskundige zich af hoe revalidatiearts Huiskens heeft gemeten dat appellant in de revalidatiebehandeling absoluut niet belastbaar was.

7.3. De in hoger beroep ingebrachte rapportage van revalidatiearts Lindenhoff van 11 maart 2008 geeft naar het oordeel van de Raad ook geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de deskundige. Revalidatiearts Lindenhoff geeft in haar rapportage aan dat haar stelling dat appellant op grond van het huidige fysieke onderzoek niet in staat is om aan het arbeidsproces deel te nemen op grond van haar onderzoek niet gekwantificeerd kan worden. Bovendien ligt deze rapportage zeer ver verwijderd van de datum in geding.

7.4. De herbeoordeling per 1 juni 2004 kan naar het oordeel van de Raad ook niet leiden tot het resultaat dat appellant per 1 mei 2002 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.

Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat de beperkingen zoals vastgesteld door een verzekeringsarts op 4 mei 2004 ook al aanwezig zouden zijn geweest op 1 mei 2002.

Uit de informatie van de bezwaarverzekeringsarts die appellant op 18 september 2002 heeft onderzocht, de informatie van huisarts A.M. Breedveld-Bastiaanse, psycholoog-psychotherapeut F.S. Prins, klinisch psycholoog-psychotherapeut B.Th. Hokse en voornoemde deskundige blijkt niet dat er in 2002 aanleiding bestond om de belastbaarheid te herzien. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad van oordeel is dat kan worden uitgegaan van de juistheid van het opgestelde belastbaarheidspatroon.

7.5. De Raad is voorts van oordeel dat de belasting van de voor appellant geselecteerde functies de vastgestelde belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Er is overleg geweest tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige en deze hebben naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd aangegeven waarom de functies voor appellant geschikt moeten worden geacht. Overeenkomstig het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten leidt de mediane loonwaarde van de functies in vergelijking met het maatmanloon tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

8. Uit het hetgeen is overwogen in 7.2 tot en met 7.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en T. Hoogenboom en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

RB