Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
07-244 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dienstongeval. Afwijziging schadevergoeding. Niet aangetoonde kosten. Geen schending zorgplicht. Goed werkgeverschap

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 53
Besluit algemene rechtspositie politie 54
Besluit algemene rechtspositie politie 54a
Besluit algemene rechtspositie politie 69a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/23
ABkort 2008/317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/244 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 november 2006, 2005/1125 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 26 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2008. Appellant is verschenen met bijstand van mr. T.K. Dik, advocaat te Voorburg. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Platenburg, werkzaam bij de politieregio Haaglanden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sinds 1977 werkzaam bij de (rechtsvoorganger van de) politieregio Haaglanden. Op 19 augustus 1980 heeft hij als lid van de mobiele eenheid (ME) bijstand verleend bij de bestrijding van krakersrellen te Amsterdam. Daarbij heeft hij een steen tegen zijn rechterhand gekregen, met als gevolg blijvend letsel aan de pols. Deze gebeurtenis is aangemerkt als een dienstongeval.

1.2. Nadat tussen partijen geruime tijd was gesproken en gecorrespondeerd over vergoeding van kosten en schade, heeft appellant op 25 mei 2000 een schadebegroting ingediend. Bij besluit van 10 november 2003, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 25 januari 2005, heeft de korpsbeheerder - voor zover hier van belang - de gevraagde vergoeding geweigerd.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Appellant stelt beperkingen te ondervinden in het dagelijks leven, onder meer bij het verrichten van huishoudelijke taken. Niet in geschil is dat, waar het gaat om een dienst-ongeval, de daarmee samenhangende kosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 53 of artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). De korpsbeheerder heeft zich bereid verklaard de aard en de omvang van de beperkingen te laten onderzoeken door een arbeidsdeskundige, doch verbindt daaraan de voorwaarde dat appellant eerst aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake is van kosten zoals hier aan de orde. Naar het oordeel van de Raad is deze voorwaarde niet onjuist of onredelijk. Appellant heeft - vooralsnog - de gestelde kosten niet aangetoond, zodat het bestreden besluit op dit punt stand houdt.

2.2. Ingevolge artikel 54a, eerste lid, van het Barp wordt, in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een nader genoemd maximum bedrag. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat dit artikel in het Barp is opgenomen met terugwerkende kracht tot en met 24 februari 1997 en om die reden niet van toepassing is op dienstongevallen die vóór deze datum hebben plaatsgevonden. De opvatting van appellant dat het artikel ook geldt voor alle lopende gevallen, voor zover op 24 februari 1997 nog niet afgehan-deld, vindt geen steun in de tekst van het desbetreffend koninklijk besluit van 9 maart 1999 (Stb. 131) en verdraagt zich evenmin met de geschiedenis van de totstandkoming daarvan. Zoals ook blijkt uit de nota van toelichting, vindt artikel 54a zijn oorsprong in het Akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector Politie 1997-1998, dat op 24 februari 1997 is gesloten. Reeds uit dit Akkoord komt naar voren dat, hoewel het gaat om een aanspraak van de ambtenaar jegens de overheidswerkgever, deze aanspraak zal worden geëffectueerd via een door de politiekorpsen af te sluiten collectief contract bij een verzekeringmaatschappij. Tegen deze achtergrond is eens te meer aannemelijk dat het niet de bedoeling is geweest om ook de gevolgen van dienstongevallen die vóór de datum van het Akkoord hebben plaatsgevonden onder het bereik van artikel 54a te brengen. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is dan ook terecht geweigerd.

2.3. Het per 31 maart 1999 in het Barp opgenomen artikel 69a voorziet in tegemoet-koming in de kosten van rechtskundige hulp, onder meer indien de ambtenaar schade-vergoeding vordert op grond van onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd tijdens de uitoefening van de politietaak. Evenals de rechtbank, is de Raad van oordeel dat deze bepaling ziet op de situatie dat de politieambtenaar schade wenst te verhalen op een derde, die jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Tekst en totstandkomings-geschiedenis bieden onvoldoende grondslag om aan te nemen dat mede wordt gedoeld op de kosten van rechtskundige hulp ter verkrijging van schadevergoeding van de werkgever. Integendeel, uit de brief van het Nederlands Politie Instituut van 11 juli 2005 aan de korpschefs komt naar voren dat in de onderhandelingen over deze voorziening expliciet is besproken dat zij niet is bedoeld voor aansprakelijkstelling van het bevoegd gezag zelf. Aan het vorenstaande doet niet af dat het, naar appellant ter zitting heeft aangevoerd, aan de handelwijze van de toenmalige bevelvoerders is te wijten dat de bewuste stenengooier op 19 augustus 1980 niet is gearresteerd, daardoor onbekend is gebleven en niet zelf in rechte kan worden aangesproken. Deze omstandigheid - wat er overigens van zij - is niet mede aan het verzoek om schadevergoeding ten grondslag gelegd en kan er in ieder geval niet toe leiden dat de korpsbeheerder aan artikel 69a een toepassing zou moeten geven die zich niet met de strekking van dit artikel verdraagt. Ook de gevraagde vergoeding op grond van artikel 69a is dus terecht geweigerd.

2.4. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de (rechtsvoorganger van de) korpsbeheerder de op hem als werkgever rustende zorgplicht heeft geschonden. De Raad verwijst voor de hier aan te leggen toetsingsmaatstaf naar zijn uitspraak van 22 juni 2000, LJN AB0072 en TAR 2000, 112.

2.4.1. Als schending van de zorgplicht heeft appellant in de eerste plaats aangemerkt dat hij door de toenmalige bevelvoerders te lang in linie is gehouden, waardoor hij onnodig blootgesteld is geweest aan door de relschoppers gegooide stenen. Zijns inziens had het gesloten front van ME'ers, eenmaal gevormd, zonder verder uitstel voorwaarts moeten gaan teneinde potentiële stenengooiers schrik aan te jagen. De Raad kan appellant in dit betoog niet volgen. In aanvulling op de aangevallen uitspraak overweegt hij dat de inhoud en de omvang van de zorgplicht van de werkgever dienen te worden beoordeeld naar de omstandigheden van het concrete geval. Waar het gaat om optreden tegen ernstige ordeverstoringen, die zich kenmerken door onvoorspelbaarheid en hectiek, moet aan de leidinggevende een ruime keuzevrijheid worden gelaten inzake de te volgen strategie en tactiek, alsmede een ruime beoordelingsmarge bij de concrete commandovoering (zie bijvoorbeeld CRvB 11 december 2003, LJN AO0640 en TAR 2004, 53). Vast staat dat het optreden in linie op jarenlange ervaring berust en, naar appellant ter hoorzitting heeft bevestigd, destijds een gebruikelijke werkwijze was. Niet kan worden geoordeeld dat de bevelvoerders de hun toekomende keuzevrijheid of beoordelingsmarge hebben over-schreden door de linie niet eerder te bevelen voorwaarts te gaan. De korpsbeheerder heeft in dit verband aangevoerd dat aan voorwaarts gaan, evenals aan incidentele uitvallen zoals door appellant bepleit, het nadeel van escalatie is verbonden, gezien de daarvan op relschoppers uitgaande provocerende werking. Aan dit aspect kon, naar het oordeel van de Raad, gelet op hetgeen omtrent de situatie ter plaatse naar voren is gekomen, in alle redelijkheid door de bevelvoerders een zwaar gewicht worden toegekend.

2.4.2. Voorts heeft appellant als schending van de zorgplicht aangewezen dat hij destijds ter bescherming van handen en polsen uitsluitend kon beschikken over zachtlederen handschoenen. Ter zitting heeft hij het sinds enkele jaren in gebruik zijnde huidige model handschoen getoond, dat extra bescherming biedt, onder meer op de plaats waar hij stelt door de steen te zijn getroffen. Voor de Raad is echter niet aannemelijk geworden dat het standpunt van de korpsbeheerder dat, gegeven de stand der techniek in 1980, er geen bruikbaar alternatief voor de zachtlederen handschoen beschikbaar was met het oog op de bescherming van de ME'ers onjuist is. Daarbij is in aanmerking genomen dat aan zo'n handschoen vele, deels tegenstrijdige eisen moeten worden gesteld.

2.4.3. Het beroep van appellant op de zorgplicht slaagt dus niet.

2.5. Ten slotte verwijt appellant de korpsbeheerder dat deze niet heeft gehandeld als goed werkgever door niet alle nadelige gevolgen van het gebeurde voor zijn rekening te nemen en evenmin voorzieningen te treffen teneinde alle nadelige gevolgen te compenseren. In dit verband is onder meer gewezen op de norm van goed werkgeverschap, neergelegd in artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede op de jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden dienaangaande, in het bijzonder het zogenoemde KLM-arrest (HR 18 maart 2005, LJN AR6669). In dit arrest is, kort gezegd, geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst, waarvan de inhoud mede wordt bepaald door de eisen van goed werkgeverschap, kon meebrengen dat KLM de aan de orde zijnde (buitenlandse verkeersveiligheids-) risico's voor haar rekening diende te nemen, eventueel door het sluiten van een adequate verzekering, en dat de omstandigheid dat de CAO geen verplichting inhield tot het sluiten van een adequate ongevallenverzekering daaraan niet in de weg stond. Wat er zij van de strekking van deze jurisprudentie, naar het oordeel van de Raad viel ten tijde van het gebeurde op 19 augustus 1980 geen geschreven of ongeschreven rechtsregel aan te wijzen waaraan appellant jegens zijn overheidswerk-gever een zo ver gaande aanspraak kon ontlenen als hier bepleit.

2.6. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.G. Treffers en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD

Q