Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
07-1849 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortijdige beëindiging van tijdelijk dienstverband op grond dat appellant niet heeft voldaan aan eisen die hem in zijn functie van complexbeveiliger in redelijkheid konden worden gesteld. Te laat komen en in burgerkleding verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1849 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 februari 2007, 06/1485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 26 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Attaibi, advocaat te Amsterdam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema en T. Akkman, beiden werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1 Appellant is met ingang van 9 mei 2005 op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) in tijdelijke dienst voor de duur van een opleiding (die één jaar in beslag zou nemen) aangesteld in de functie van complexbeveiliger C bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie (hierna: Dienst V en O). In deze functie was appellant landelijk inzetbaar.

1.2. Appellant heeft de eerste twee weken een theoretische opleiding gevolgd en vervolgens twee weken in de middagdienst als beveiliger bij het ministerie van Binnenlandse Zaken (hierna: ministerie) gewerkt. Vervolgens kreeg hij opdracht om daar vanaf maandag 6 juni 2005 vroege dienst te doen die begon om 06.30 uur. Appellant kwam die dag te laat op zijn werkplek aan. Dit herhaalde zich op 7 juni 2005. Vervolgens was appellant niet meer bij dat ministerie welkom.

1.3. Op 13 juni 2005 is appellant over zijn te laat komen onderhouden. In aansluiting op dit onderhoud is appellant bij brief van 22 juni 2005 gewaarschuwd. Aangegeven is dat, indien appellant in de toekomst weer te laat op zijn werk komt of zich schuldig maakt aan enig ander ontoelaatbaar gedrag, dit gezien kan worden als plichtsverzuim en een disciplinaire straf tot gevolg kan hebben, welke straf in het uiterste geval ontslag kan inhouden.

1.4. Appellant is op 23 juni 2006 als beveiliger geplaatst bij het NCTB in ’s-Gravenhage. Die dag verscheen hij daar in burgerkleding in plaats van in dienstkleding. Na die dag in geleende kleding te hebben gewerkt, werd de Dienst V en O te verstaan gegeven dat appellant wegens dit incident niet meer bij het NCTB kon terugkeren.

1.5. In verband met dat incident werd appellant uitgenodigd om op 29 juni 2005 in het hoofdkantoor van de Dienst V en O te Assen verantwoording af te leggen. Appellant verscheen daar 50 minuten te laat.

1.6. Bij brief van 4 juli 2005 is appellant in kennis gesteld van het voornemen om zijn tijdelijk dienstverband voortijdig te beëindigen. Nadat appellant daarover schriftelijk zijn zienswijze had gegeven, heeft de minister bij besluit van 27 juli 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2006 (hierna: bestreden besluit), het tijdelijk dienstverband van appellant beëindigd met ingang van 1 september 2005. Hierbij is gelet op het te laat komen op 6 en 7 juni 2005, het kledingincident op 23 juni 2005 en het te laat komen op 29 juni 2005. Geoordeeld is dat appellant is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheid en daarom niet voldoet aan de eisen die aan een ambtenaar als appellant in redelijkheid kunnen worden gesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 20 maart 2006 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Appellant was aangesteld in tijdelijke dienst in verband met het volgen van een opleiding. Artikel 95, tweede lid, van het ARAR bepaalt dat in een dergelijk geval ontslagverlening mogelijk is, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen. Naar vaste rechtspraak (onder andere CRvB 29 april 1999, LJN ZB8270 en TAR 1999, 96) kan een ontslag op grond van dat artikel worden verleend op elke redelijke grond.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep niet betwist dat hij op 6 en 7 juni 2005 te laat op zijn werk is aangekomen, op 23 juni 2005 geen dienstkleding droeg en op 29 juni 2005 niet op tijd was voor het gesprek met zijn leidinggevende in Assen.

4.3. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant die gebeurtenissen kunnen worden toegerekend. Appellant heeft naar aanleiding van de verwijten die hem van de kant van de Dienst V en O naar aanleiding van de genoemde gebeurtenissen zijn gemaakt, steeds gewezen op tekortkomingen van de Dienst V en O.

4.4. Wat betreft het te laat komen op 6 en 7 juni 2005 geldt dat appellant ten gevolge van de dienstregeling van het openbaar vervoer vanuit Hoorn niet stipt om 06.30 uur op zijn werkplek kon zijn. Appellant had dit probleem echter tijdig moeten en kunnen onder-kennen en passende maatregelen moeten nemen. Zo had appellant gebruik kunnen maken van de hem voorgehouden mogelijkheid in ’s-Gravenhage te overnachten. Met zijn stelling dat hem van de kant van de Dienst V en O adressen voor overnachting gegeven hadden moeten worden, ziet appellant over het hoofd dat, nadat hem was gezegd dat overnachting in de buurt van de werkplek mogelijk was en hij bij collega’s te rade kon gaan, het zijn eigen verantwoordelijkheid was om overnachting in de buurt van zijn werkplek te regelen. Dat appellant dit niet heeft gedaan en zo het te laat komen voor lief heeft genomen moet voor zijn risico komen, zeker nu hij al enkele dagen had gewerkt.

4.5. De stelling van appellant dat hij niet wist dat hij bij het NCTB in dienstkleding moest verschijnen, verwerpt de Raad, nu appellant daar op 23 juni 2005 aan het werk moest. Wat betreft het incident op 29 juni 2005 deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat, als appellant de weg in Assen niet wist, het op zijn weg had gelegen om tevoren uit te zoeken waar hij moest zijn dan wel in zijn tijdsplanning daarmee rekening had moeten houden. Dit heeft appellant niet gedaan. De Raad wijst erop dat de beide gebeurtenissen te zwaarder voor appellant wegen nu hij een gewaarschuwd man was.

5. De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de minister in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen het tijdelijk dienstverband van appellant voortijdig te beëindigen, op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan eisen die hem in zijn functie van complexbeveiliger in redelijkheid konden worden gesteld.

5. De rechtbank heeft het bestreden besluit dus terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD