Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
06-6711 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheven uit de opleiding: Van de kant van de opleiding is op geen enkele wijze onderbouwd welke gebeurtenissen sinds het laatste gesprek tot de conclusie hebben geleid dat appellant niet was geslaagd zijn gedrag bij te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6711 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 oktober 2006, 06/513 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant der Zeestrijdkrachten (hierna: de commandant)

Datum uitspraak: 26 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.A. Billiet-de Jonge, advocaat te Woerden. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Legein, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, destijds korporaal der mariniers algemeen, is in mei 2004 op zijn verzoek geplaatst in de opleiding tot instructeur Fysieke Training en Sport. Kort voor de afronding van die opleiding, in mei 2005, is appellant mondeling meegedeeld dat hij uit die opleiding is ontheven wegens onvoldoende ontwikkeling op houdingsaspecten. Deze mededeling is schriftelijk bevestigd bij besluit van 11 juli 2005. De commandant heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 januari 2006. Daarbij is overwogen dat ontheffing in het belang van de dienst is, omdat na een reeks van klachten over en gesprekken met appellant genoegzaam vaststaat dat appellant op het gebied van attitude ruim tekort is geschoten en dat hij, ondanks dat hij daarop herhaaldelijk is aangesproken, onvoldoende progressie heeft getoond om aan de gestelde norm te voldoen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de beslissing een cursist van een opleiding te ontheffen een discretionaire bevoegdheid betreft, die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. De rechtbank heeft tevens overwogen dat de ontheffingsprocedure volgens de voorschriften is verlopen, dat de grondslag voor de ontheffing voldoende is onderbouwd, dat appellant voldoende is gewaarschuwd en dat de commandant daarom in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

3. In hoger beroep is nog slechts in geschil de vraag of de commandant in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit. Appellant heeft niet ontkend dat er een aantal incidenten is geweest en dat hij op zijn gedrag is aangesproken. Hij heeft er echter op gewezen dat op 5 april 2005 het laatste gesprek heeft plaatsgevonden waarin kapitein [naam Kapitein] hem heeft aangesproken op zijn gedrag en attitude. In dat gesprek zijn hem adviezen gegeven en is hem te verstaan gegeven dat hij in de aankomende periode verbetering moet tonen, omdat bij onvoldoende verbetering of een klacht de examen-commissie genoodzaakt zal zijn hem voor te dragen voor ontheffing. Appellant heeft daaraan gehoor gegeven en zich zeer correct gedragen. Nadien is hij ook niet meer aangesproken op zijn gedrag of attitude en heeft ook anderszins geen gesprek meer met hem plaatsgevonden. Volgens appellant is er geen sprake van concrete feiten en omstandigheden na 5 april 2005 die aanleiding hebben kunnen vormen om toch tot ontheffing over te gaan.

4. De Raad onderschrijft dit standpunt van appellant. In het intern memorandum van kapitein [naam Kapitein] van 3 mei 2005, waarin deze aan het hoofd van de opleiding voorstelt om appellant uit de opleiding te ontheffen, is slechts vermeld dat betrokkene “na een waarschuwend gesprek op 5 april 2005, … ondanks aanraden van het begeleidend kader, niet de indruk (heeft) gewekt over voldoende affectieve competenties te beschikken”. Feiten en omstandigheden waarop die slotconclusie is gebaseerd worden niet genoemd. De bij het memorandum gevoegde schriftelijke verklaringen van docenten dateren op een enkele na van vóór 5 april 2005. De op 10 mei 2005 gedateerde verklaring van de stafinstructeur atletiek vermeldt als meest recente incident een aanvaring in januari 2005. Met appellant is de Raad van oordeel dat appellant uit het gesprek op 5 april 2005 heeft kunnen begrijpen dat hem een laatste kans werd geboden om zijn gedrag bij te stellen. Van de kant van de opleiding is op geen enkele wijze onderbouwd welke gebeurtenissen sindsdien tot de conclusie hebben geleid dat appellant daarin niet was geslaagd en ook de gemachtigde van de commandant heeft ter zitting hierover geen opheldering kunnen verschaffen.

5. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De commandant zal een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaarschrift van appellant met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

6. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding de commandant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- wegens kosten van rechtskundige bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de commandant een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,- , te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD