Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-3560 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3560 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 mei 2006, 05/627 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij advocatenkantoor Delescen & Scheers te Roermond, hoger beroep ingesteld en een aanvullend, ongedateerd, schrijven van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2008. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.S. van ’t Oor.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 17 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 december 2003, waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 10 december 2003 is ingetrokken, omdat het Uwv appellant niet langer ongeschikt voor zijn eigen werk en derhalve niet arbeidsongeschikt in de zin van die wet achtte.

2.1.Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank zich heeft kunnen vinden in de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers, zoals neergelegd in diens rapport van 23 februari 2005. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek naar de beperkingen van appellant, en is tot het oordeel gekomen dat de uit het onderzoek getrokken conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd. De rechtbank heeft geoordeeld dat op de door appellant in bezwaar ingebrachte (medische) informatie door de bezwaarverzekeringsarts uitvoerig is ingegaan, waarbij echter de eindconclusie is gebleven dat die gegevens geen ander licht werpen op de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport terecht heeft opgemerkt dat de in de (medische) informatie gestelde diagnose “fibromyalgie” niet zonder meer kan leiden tot de conclusie dat sprake is van blijvende beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts evenzeer terecht opgemerkt, dat waar

dr. Busard in zijn rapportage van 8 april 2004 voor een belangrijk deel uitgaat van de klachten, symptomen en beperkingen die appellant zelf aangeeft en waar dr. Busard stelt dat die klachten zijn terug te voeren op “literatuur die is gepubliceerd omtrent het fibromyalgiesyndroom”, die literatuur op dat punt allerminst eenduidig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts ook terecht opgemerkt dat de door dr. Busard aangehaalde noodzaak te komen tot een urenbeperking niet wordt onderbouwd, en niet in overeenstemming is met de door appellant in ieder geval tot juni 2003 geleverde arbeidsprestaties en zijn actieve dagbesteding.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het Uwv voldoende draagkrachtig heeft onderbouwd dat appellant op de datum in geding in staat was zijn eigen werkzaamheden als opleidingscoördinator in een omvang van 36 uur per week te verrichten, zodat het Uwv bij het bestreden besluit terecht de WAO-uitkering van appellant met ingang van

10 december 2003 heeft ingetrokken.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden herhaald. Hij blijft van mening dat de aard en ernst van zijn klachten en beperkingen door de artsen van het Uwv zijn onderschat en dat hij als gevolg van deze klachten en beperkingen op en na de in geding zijnde datum niet is staat is (geweest) tot het duurzaam en voltijds verrichten van zijn eigen werkzaamheden.

4.1. De Raad heeft evenmin als de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Stammers in zijn rapport van 23 februari 2005 op ontoereikende verzekeringsgeneeskundige gronden het standpunt van de verzekeringsarts J.H.J. Kuckelkorn heeft onderschreven. Zoals blijkt uit dit rapport had Stammers bij zijn beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant de beschikking over de rapportage van dr. Busard van 8 april 2004, de informatie van de bedrijfsarts en de behandelend artsen van appellant. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit rust.

4.2. In hoger beroep heeft appellant bij brief van 7 november 2006 nog een (ongedateerd) commentaar van dr. Busard overgelegd. Kort samengevat, heeft Busard daarin zijn - al in zijn rapportage van 8 april 2004 neergelegde - standpunt herhaald dat bij appellant de diagnose fibromyalgie, een serieus te nemen aandoening, is gesteld, die tot het aannemen van beperkingen kan leiden. Tevens heeft appellant beperkingen op basis van feiten en te objectiveren psychopathologie, waardoor hij tot minder in staat is dan waartoe hij in staat wordt geacht. Ten onrechte is door het Uwv geen urenbeperking aangenomen.

4.3. De Raad acht deze opvattingen van Busard voldoende weersproken in de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Stammers van 23 februari 2005. Ook de Raad komt niet tot een ander oordeel dan dat op grond van de beschikbare medische gegevens niet kan worden geconcludeerd dat appellant op 10 december 2003 op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was zijn eigen werk als opleidingscoördinator gedurende 36 uur per week te verrichten. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

RB