Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
06-4596 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verhoging wachtgeld met de eindejaarsuitkering vanaf de datum van invoering. Geen wijziging van de bezoldiging met een algemeen karakter. Weigering om terug te komen van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4596 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juli 2006, 06/1260 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (hierna: minister)

Datum uitspraak: 26 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben beide partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. In verband met een aan appellant per 1 januari 1993 verleend ontslag is hem voor het tijdvak van 1 januari 1993 tot 1 mei 2009 een uitkering overeenkomstig het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) toegekend, met dien verstande dat de hoogte van de uitkering, uitgaande van de laatstelijk door hem genoten bezoldiging, voor de periode van 1 januari 1993 tot 1 april 1993 op 90% en voor de periode van 1 april 1993 tot 1 mei 2009 op 80% is bepaald. De Raad zal appellants uitkering in deze uitspraak aanduiden als wachtgeld.

1.2. Appellant heeft op 25 oktober 2005 verzocht om zijn wachtgeld alsnog te verhogen met de eindejaarsuitkering en wel vanaf de datum van invoering daarvan. Bij besluit van 27 oktober 2005, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 februari 2006, heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Appellant acht onjuist dat de rechtbank het bestreden besluit heeft aangemerkt als een weigering om terug te komen op een eerder besluit. In dat verband heeft hij betwist dat de minister al in 1993 geweigerd zou hebben om de eindejaarsuitkering in zijn wachtgeld te verdisconteren. Appellant heeft gehandhaafd dat uit de regelgeving voortvloeit dat de eindejaarsuitkering moet worden opgenomen in zijn wachtgeld.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank, dat appellants verzoek van 25 oktober 2005 moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, althans van een daarmee op één lijn te stellen situatie. Voor de aanwezigheid daarvan is niet altijd een daartoe strekkend verzoek noodzakelijk. In het onderhavige geval is de door appellant ontkende (impliciete) weigering van de minister gelegen in de ambtshalve genomen beslissingen, die ten grondslag hebben gelegen aan de uitbetaling van het wachtgeld, waarbij de door appellant thans gewenste doorwerking van de eindejaarsuitkering achterwege is gebleven (CRvB 5 januari 2004, LJN AO2027 en TAR 2004, 76). Appellant had tegen de aan de betaling van zijn wachtgeld ten grondslag liggende beslissingen, die kenbaar werden gemaakt in de wachtgeldspecificaties, rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Daarbij had appellant ook eventuele uit de specificaties blijkende ontbrekende wijzigingen in het wachtgeld aan de orde kunnen stellen dan wel de minister hierover een vraag kunnen stellen zoals hij uiteindelijk in 2005 heeft gedaan.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 februari 2004, LJN AO8045 en JB 2004, 137) geldt voor een besluit op een verzoek om terug te komen van een ambtshalve genomen besluit voor zover dit betrekking heeft op het tijdvak gelegen na het verzoek het zogeheten minder terughoudende toetsingskader, zoals bij de aangevallen uitspraak met juistheid is beschreven, voor zover dit betrekking heeft op het tijdvak gelegen na appellants verzoek.

3.2. Dat de rechtbank de oorspronkelijke (impliciete) weigering in 1993 heeft gedateerd in plaats van in 1994, is dan van ondergeschikte betekenis. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de rechtbank ten onrechte de informatieve brief van de minister van 6 oktober 2005 heeft aangemerkt als de afwijzing van het verzoek om de eindejaarsuitkering alsnog in het wachtgeld te laten doorwerken.

3.3. De Raad is met betrekking tot de vraag of de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering in rechte stand kan houden niet tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen. Aan hetgeen de rechtbank met het oog op het tijdvak na de indiening van appellants verzoek heeft overwogen voegt de Raad nog het navolgende toe.

3.4. De eindejaarsuitkering is bij het Besluit van 25 april 1994 (Staatsblad 1994, 346) met terugwerkende kracht tot 1 januari 1993 opgenomen in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) en eveneens met terugwerkende kracht tot 1 januari 1993 opgenomen in het Rwb. Hierdoor ontstond de situatie dat de eindejaarsuitkering een onderdeel werd van de berekeningsgrondslag voor wachtgelden die met ingang van een datum vanaf 1 januari 1993 werden toegekend. Een daadwerkelijke opname van de eindejaarsuitkering in de berekeningsgrondslag van een wachtgeld vergde evenwel ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Rwb dat de ambtenaar vóór zijn ontslag aanspraak op een eindejaarsuitkering had. Bij een ontslagdatum gelegen op of vóór 1 januari 1993 gaf het BBRA zodanige aanspraak niet.

3.5. In artikel IV van het Besluit van 25 april 1994 is vastgelegd welke van de in het besluit geregelde wijzigingen in de bezoldiging een algemeen karakter dragen en dan ingevolge artikel 4, zesde lid, van het Rwb doorwerken in het wachtgeld. Hierbij is geen van de bepalingen genoemd die betrekking heeft op de eindejaarsuitkering.

Gelet hierop is de invoering van de eindejaarsuitkering in 1994 niet aan te merken als een wijziging van de bezoldiging met een algemeen karakter, zodat niet is voldaan aan de in artikel 4, zesde lid, van het Rwb neergelegde voorwaarde. Voor verdiscontering van de eindejaarsuitkering in het wachtgeld van appellant was dus geen aanleiding.

3.6. Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M. van Berlo.

HD

23.06