Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
06-4898 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen zodanige medische beperkingen, dat voor vervoer over de zeer korte en iets langere afstand in de directe woonomgeving een scootmobiel nodig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4898 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 juni 2006, 06/20 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 11 september 2007 een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld op de zitting van 26 september 2007. Appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout. Het onderzoek ter zitting is geschorst om het College in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken.

De Raad heeft het College bij brief van 25 oktober 2007 om nadere inlichtingen verzocht.

Het College heeft bij brieven van 10 december 2007 en 7 januari 2008 inlichtingen verstrekt en stukken ingezonden.

Appellante heeft bij brief van 17 januari 2008 een reactie en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek is hervat op de zitting van 9 april 2008. Appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Smout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Bij appellante, geboren [in] 1956, is artrose van de knie en een beperkte inspanningstolerantie vastgesteld. Zij ervaart beperkingen bij het gebruik van de knie, met name bij het opstaan en gaan zitten, bij het traplopen en bij het fietsen.

1.3. Appellante heeft op 28 juni 2005 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding en vervoersvoorzieningen in de vorm van een driewielfiets en een scootmobiel aangevraagd.

1.4. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) heeft het College bij rapport van 22 juli 2005 over deze aanvraag geadviseerd. Het advies berust op een onderzoek door de indicatieadviseur P. Renders, bestaande uit anamnese, klinische waarneming en beperkt gericht lichamelijk functioneel onderzoek. Daarbij is vastgesteld dat op 1 augustus 2005 een kijkoperatie zou plaatsvinden, waarmee een revalidatie van ten hoogste zes maanden gemoeid zal zijn. Op grond van de bevindingen is geconcludeerd dat er op dat moment nog geen sprake was van een medisch geobjectiveerde aandoening of medische eindsituatie, zodat de aangevraagde voorzieningen dienen te worden afgewezen.

1.5. Op 1 augustus 2005 is bij appellante een meniscusoperatie uitgevoerd.

1.6. Het College heeft de aangevraagde voorzieningen bij besluit van 19 augustus 2005 afgewezen op de grond dat appellante geen langdurige beperkingen ondervindt op het gebied van wonen of zich verplaatsen.

2.1. Appellante heeft bij brief van 5 september 2005 bezwaar gemaakt. Daarbij is aangevoerd dat zij al veel langer knieklachten heeft dan aangenomen, dat de klachten veel langer dan zes maanden zullen duren en, in aanmerking genomen de aard van de aandoening, zullen toenemen. Bij de operatie is vastgesteld dat het kraakbeen van beide knieën slijtage heeft ondergaan.

2.2. CIZ heeft bij rapport van 27 oktober 2005 aanvullend advies uitgebracht. Op grond van onderzoek van appellante, bij de behandelend orthopeed ingewonnen inlichtingen en informatie verkregen uit intercollegiaal overleg, heeft de arts R. Jacobs geconcludeerd dat zeker sprake is van enige beperkingen bij het hurken en op de knieën zitten, maar dat de door appellante aangegeven beperkingen niet worden gerechtvaardigd door de objectieve bevindingen. Appellante wordt in staat geacht om te lopen en te fietsen, zodat er geen indicatie is voor de aangevraagde voorziening.

2.3. Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2005 bij besluit van 24 november 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar de adviezen van CIZ.

3.1. Appellante heeft tegen het besluit van 24 november 2005 beroep ingesteld. Aangevoerd is dat zij sedert de operatie niet meer kan fietsen. Haar mobiliteit is afgenomen en de pijn is toegenomen. Het onderzoek door CIZ is te selectief en subjectief geweest.

3.2. Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 24 november 2005 neergelegde standpunt.

3.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 november 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het onderzoek van CIZ zorgvuldig en volledig is geweest en dat het College op grond daarvan terecht heeft aangenomen dat er naar objectieve maatstaf gemeten geen medische noodzaak is voor de aangevraagde voorzieningen.

4.1. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het hoger beroep is, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, beperkt tot de aangevraagde scootmobiel. Appellante stelt zich op het standpunt dat de beperkingen wel voldoende zijn terug te voeren op objectieve medische bevindingen. In de knieën zijn volgens appellante de volgende afwijkingen geconstateerd: vochtophoping, artrose, scheurtjes in het meniscus van de rechterknie, degeneratieve verandering in de vorm van haakvorming, recidief letsel, ontstekingen in de rechterknie. Appellante heeft onder meer een beroep gedaan op een onderzoek door de Arbo Unie op 2 mei 2005. Voorts is aangevoerd dat zij een second opinion heeft aangevraagd voor een knieoperatie en dat haar algehele lichamelijke stramheid en stijfheid deelname aan het verkeer met een fiets gevaarlijker maakt dan deelname met een scootmobiel. Bovendien kan de knie op onvoorspelbare momenten niet gebogen worden en ontstaan er krampen, waardoor het ook gevaarlijk is om per fiets aan het verkeer deel te nemen.

4.2. Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 24 november 2005 neergelegde standpunt. Desgevraagd is aan de advisering van CIZ mede ten grondslag gelegde informatie van de behandelende sector ingezonden, alsmede een nieuw rapport van CIZ van 2 januari 2008. In dat rapport komt de arts Jacobs tot de conclusie dat de aandoening van de rechter knie en de klachten en beperkingen als gevolg daarvan reëel verslechterd zijn in de afgelopen twee jaar, maar dat er volgens de behandelend orthopeed nog geen indicatie is voor een nieuwe knie. Op grond van de anamnese, informatie van de behandelend arts, observatie en intercollegiaal overleg is hij evenwel van mening dat appellante in staat moet worden geacht om 100 meter te kunnen lopen en korte stukken (middellange afstanden) in haar directe leefomgeving met een licht verzet te kunnen fietsen met een fiets met verlaagde instap en/of een fiets met hulpmotor en/of trapondersteuning met verlaagde instap.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. De Raad is op grond van de beschikbare gegevens tot het oordeel gekomen dat appellante ten tijde in geding niet zodanige - naar objectieve maatstaf gemeten - medische beperkingen had, dat zij voor haar vervoer over de zeer korte en iets langere afstand in haar directe woonomgeving aangewezen was op een scootmobiel. In het dossier bevinden zich geen medische rapportages waarin geconcludeerd wordt dat appellante voor haar vervoer geen gebruik kon maken van een fiets, of een fiets met hulpmotor. Aan de door appellante ingezonden stukken van medische aard kan die conclusie, anders dan appellante wil, niet worden verbonden. Dit betekent dat het College de in het besluit van 24 november 2005 neergelegde handhaving van zijn besluit om de aangevraagde scootmobiel te weigeren materieel juist is.

5.3. De Raad stelt vast dat, zoals op de zitting van 26 september 2007 aan de orde is gesteld, het door het College ingezonden dossier onvolledig is geweest doordat niet alle door CIZ aan zijn beoordeling ten grondslag gelegde medische stukken aan het dossier waren toegevoegd.

5.4. Deze stukken alsook de vraagstelling aan de behandelende sector hadden daarin niet mogen ontbreken. De Raad verwijst naar de uitspraken van 12 december 2000, LJN ZB9092 en 8 januari 2008, LJN BC3807. Uit die uitspraken blijkt dat uit de artikelen 7:4, tweede lid, en 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeit dat het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage dient te leggen, onderscheidenlijk aan de rechtbank dient in te zenden en dat dit ook geldt voor medische stukken die zich onder een adviserende instantie als CIZ bevinden, tenzij de belanghebbende op wie die stukken betrekking hebben, om reden van bescherming van de persoonlijke levenssfeer, geen toestemming geeft voor toezending van die stukken aan het bestuursorgaan. In de mogelijkheid dat de behandelde relatie door het verstrekken van informatie kan worden verstoord, acht de Raad geen argument gelegen om het vragen van informatie achterwege te laten. Het is aan de behandelende sector om de informatie op prudente wijze te verstrekken.

5.5. De Raad wijst er verder op dat in het samenstel van de artikelen 7:12, eerste lid, 3:49 en 3:9 van de Awb besloten ligt dat een besluit dat berust op het advies van een medisch adviseur, zodanig inzichtelijk gemotiveerd dient te zijn dat de belanghebbende zich daartegen gericht teweer kan stellen. Dit betekent dat duidelijk moet zijn op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Voorts ligt daarin besloten dat, indien de belanghebbende het medische advies op een of meer punten concreet onderbouwd weerspreekt, het niet met de in artikel 3:9 van de Awb neergelegde vergewisplicht in overeenstemming is dat het bestuursorgaan daaraan zonder meer voorbijgaat door te volharden in de - enkele - verwijzing naar het advies. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 25 juli 2007, LJN BB0694.

5.6. Nu appellante door de onvolledigheid van het dossier niet in haar belangen is geschaad, zal de Raad daaraan in het onderhavige geval geen consequenties verbinden.

5.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008.

(get.) R.M. van Male

(get.) M.J. Bernhagen

OA