Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
07/2965 WVG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2007:BB8453, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bruikleenauto. Toekenning volledige vervoerskostenvergoeding. Adequate voorziening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2965 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2007, 06/3198 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Voor betrokkene is verschenen mr. Vermaat.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1991, lijdt aan een vorm van epilepsie, die moeilijk behandelbaar is en waarvoor (nog) geen definitieve behandelmethode is vastgesteld.

1.2. Namens betrokkene is op 23 augustus 2004 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een voorziening aangevraagd in de vorm van een bruikleenauto.

1.3. Naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) op 2 maart 2005 medisch advies uitgebracht aan appellant. In dit advies is aangegeven dat betrokkene bekend is met dagelijkse regelmatige aanvallen van bewustzijnsdalingen. Hij kan niet met anderen samen reizen, maar hij kan wel vervoerd worden door derden indien hij onder begeleiding van een bekende reist. Er is geen medische indicatie voor een bruikleenauto.

1.4. Bij besluit van 1 juli 2005 heeft appellant de aanvraag van betrokkene afgewezen. De bruikleenauto kan niet als goedkoopste adequate oplossing worden aangemerkt.

1.5. Naar aanleiding van het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 1 juli 2005 heeft Argonaut BV (hierna: Argonaut) op 5 januari 2006 medisch advies uitgebracht aan appellant. In dit advies is aangegeven dat betrokkene geen gebruik kan maken van het aanvullend openbaar vervoer (hierna: AOV) in verband met de heftige effecten van een epilepsieaanval. De aanvalsfrequentie is dermate hoog dat betrokkene geen aanvalsvrije dagen heeft. Na een aanval is de loopafstand fors beperkt en de mogelijkheid om te wachten ook. Vanuit medische optiek is een bruikleenauto geïndiceerd.

1.6. Op verzoek van appellant heeft CIZ op 15 mei 2006 nogmaals medisch advies uitgebracht aan appellant. In dit advies is aangegeven dat betrokkene ongeveer vier grotere aanvallen per week heeft. Na een aanval wordt betrokkene door zijn zus behandeld. De frequentie van de aanvallen waarvoor betrokkene naar het ziekenhuis wordt gebracht is gemiddeld twee keer per maand. Op basis van de huidige gegevens is er geen indicatie voor een bruikleenauto. Betrokkene is geïndiceerd voor een volledige vervoerskostenvergoeding, met welke vergoeding betrokkene een auto kan huren of lenen.

1.7. Bij besluit van 31 mei 2006 heeft appellant, onder verwijzing naar het medisch advies van CIZ van 15 mei 2006, het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 1 juli 2005 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat het AOV voor betrokkene niet adequaat is, omdat het vervoer hierbij niet te plannen is. Nu betrokkene nog niet is uitbehandeld, is in dit stadium een vervoerskostenvergoeding geïndiceerd. In de huidige situatie bestaat een negatief advies voor een bruikleenauto.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met overwegingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 31 mei 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primair besluit van 1 juli 2005 herroepen, en bepaald dat appellant betrokkene binnen zes weken na dagtekening van de aangevallen uitspraak een bruikleenauto ter beschikking stelt.

2.2. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de door appellant verstrekte voorziening in de vorm van een vervoerskostenvergoeding geen verantwoorde voorziening is voor betrokkene. De rechtbank ziet niet in hoe betrokkene na een epilepsieaanval direct naar huis vervoerd kan worden als hij daartoe is aangewezen op een taxi of een gehuurde auto. De frequentie en hevigheid van de aanvallen staat daaraan in de weg.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door zich bij de beoordeling van het beroep niet te beperken tot de aangevraagde bruikleenauto, maar daarbij eveneens andere voorzieningen te betrekken. Appellant heeft aangevoerd dat het aan de gemeente is om het goedkoopste adequate pakket aan voorzieningen samen te stellen, waarmee in de vastgestelde vervoersbehoefte kan worden voorzien. Met het toekennen van de mogelijkheid om gebruik te maken van een vervoerskostenvergoeding is voldaan aan de uit de Wvg voortvloeiende zorgplicht. De bruikleenauto is in de situatie van betrokkene niet de goedkoopste adequate voorziening. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte bepaald dat tot verstrekking van de bruikleenauto moet worden overgegaan.

Voorts is appellant van mening dat de toegekende vervoerskostenvergoeding adequaat is. Zowel bij een huurauto of een taxi als bij een eigen auto is er sprake van een wachttijd, te weten de tijd waarin gewacht dient te worden op de aankomst van de auto die betrokkene komt ophalen van school. Bovendien zijn volgens de behandelend neuroloog de aanvallen verminderd.

3.1. Namens betrokkene is bij brief van 12 maart 2008 een tweetal verklaringen van behandelend neurologen van de Stichting Epilepsie Instellingen Nederland van 22 oktober 2007 en 14 februari 2008 overgelegd. In de verklaring van 22 oktober 2007 is aangegeven dat het aantal aanvallen varieert van wekenlang aanvalsvrij tot periodes met wel 100 korte aanvalletjes per dag. In de verklaring van 14 februari 2008 is aangegeven dat er gemiddeld eenmaal per maand een aanval is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 2 van de Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. In genoemd artikel is aangegeven dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening daartoe regels vaststelt.

4.1.2. Ingevolge artikel 3 van de Wvg biedt het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.

4.2. Met de Verordening voorzieningen gehandicapten (hierna: Verordening) heeft appellant invulling gegeven aan de hem ingevolge artikel 2 van de Wvg opgedragen taak.

4.2.1. In artikel 1.2, aanhef en onder b en c, van de Verordening is, voor zover van belang, bepaald dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover:

b. deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van het wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen;

c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

4.3.1. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar van 31 mei 2006 (hierna: bestreden besluit) zo uitgelegd, dat de gevraagde voorziening geweigerd is op de grond dat deze niet langdurig noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is de gevraagde voorziening wel langdurig noodzakelijk.

4.3.2. Het bestreden besluit berust echter niet op het niet langdurig noodzakelijk zijn, maar op de grond dat de bruikleenauto niet de goedkoopste adequate voorziening is. Dat is in de visie van appellant een volledige vervoerskostenvergoeding. Dit betekent dat de door de rechtbank gegeven motivering van haar uitspraak niet juist is.

4.4. De Raad zal overgaan tot de beoordeling van de juistheid van de wel door appellant gehanteerde weigeringsgrond. Daarbij stelt de Raad voorop dat bij de beoordeling van de afwijzing van een bruikleenauto moet worden bezien of voor de vervoersbehoefte van betrokkene met de toekenning van een volledige vervoerskosten vergoeding een adequate voorziening wordt getroffen, nu appellant de afwijzing van de bruikleenauto heeft gebaseerd op de grond dat een volledige vervoerskostenvergoeding de goedkoopste adequate voorziening is.

4.5. De Raad is van oordeel dat appellant onvoldoende gemotiveerd heeft dat een volledige vervoerskostenvergoeding de goedkoopste adequate voorziening is. Daartoe acht de Raad het volgende van belang.

4.5.1. Appellant heeft onvoldoende duidelijk kunnen maken welke vorm van vervoer in het onderhavig geval noodzakelijk is om te kunnen voorzien in de vervoersbehoefte van betrokkene. Uit de eerdergenoemde adviezen van CIZ en Argonaut blijkt onvoldoende duidelijk in welke frequentie betrokkene is aangewezen op vervoer en welke aanrijtijd vanuit medisch oogpunt bezien van belang is om betrokkene op adequate wijze bij een aanval buitenshuis weer naar huis te vervoeren. Het had op de weg van appellant gelegen daaromtrent nader advies te vragen.

4.5.2. Appellant heeft voorts op geen enkele wijze onderbouwd hoe betrokkene de vervoerskostenvergoeding kan aanwenden om op adequate wijze in zijn vervoersbehoefte te voorzien. Appellant heeft hieromtrent enkel aangegeven dat betrokkene de vervoerskostenvergoeding kan gebruiken om een auto te huren of te lenen. Nog daargelaten de vraag wat appellant heeft bedoeld met een leenauto, blijkt onvoldoende duidelijk op welke wijze deze vergoeding in concreto dient te worden vertaald naar een leen- of huurauto. Niet bekend is of betrokkene ten tijde in geding duurzaam de beschikking had over een leenauto. Tevens is onduidelijk of betrokkene met het bedrag van de volledige vervoerskostenvergoeding op zodanige wijze over een huurauto zou kunnen beschikken dat deze bij de noodzaak van vervoer ook daadwerkelijk en zonder relevant tijdsverlies ter beschikking zou staan voor betrokkene.

4.6. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten, nu appellant in het onderhavige geval onvoldoende onderzoek heeft gedaan en hiermee in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) . Tevens is het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op een andere grond, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Appellant zal op het bezwaar van betrokkene een nieuw besluit dienen te nemen. In het kader daarvan zal appellant nader advies moeten inwinnen met betrekking tot de voor de vervoersproblematiek van betrokkene relevante medische beperkingen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte zelf voorzien in de zaak.

5. De Raad ziet aanleiding het College op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het primaire besluit is herroepen en is bepaald dat appellant binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak een bruikleenauto ter beschikking stelt;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het College in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.C.P. Venema en R.H. de Bock als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert

(get.) M.J. Bernhagen

IJ