Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
07-3671 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meenemen nieuw besluit in aanhangig beroep. Overschrijding beroepstermijn verschoonbaar? Processueel verzuim van gemachtigde toerekenen aan degene die de behartiging van zijn belangen aan de gemachtigde heeft toevertrouwd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3671 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 juni 2007, 05/1429 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College).

Datum uitspraak: 24 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 juni 2008, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en het College als verweerder - ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiser heeft op 11 april 2002 een uitkering ingevolge de Abw aangevraagd. Op 26 april 2002 heeft hij daartoe op het Centrum voor Werk en Inkomen in de gemeente Hoogezand-Sappemeer een inlichtingenformulier ingevuld.

Verweerder heeft bij besluit van 26 juli 2002 eiser met ingang van 26 april 2002 een Abw-uitkering toegekend, waarop vanaf dezelfde datum gedurende 6 maanden een verlaging van 100% wordt toegepast. Verweerder heeft in zijn besluit overwogen dat eiser meerdere malen geen passende arbeid heeft aanvaard en ook meerdere malen door eigen toedoen zijn werk niet heeft behouden.

Bij besluit van 5 augustus 2002 heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Abw met ingang van 1 juli 2002 opgeschort, omdat eiser zijn maandverklaring over de maand juli 2002 nog niet heeft ingeleverd. In dit besluit heeft verweerder eiser tot 12 augustus 2002 de tijd gegeven om de maandverklaring alsnog in te leveren.

Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Abw met ingang van 1 juli 2002 beëindigd, omdat eiser niet heeft gereageerd op het verzoek van verweerder om informatie, als gevolg waarvan verweerder niet kan beoordelen of eiser nog langer recht heeft op een uitkering.

Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift tegen de maatregel dateert van 23 augustus 2002.

Bij besluit van 19 december 2002 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de toekenning van de uitkering, de maatregel, de opschorting en de beëindiging van de uitkering gegrond verklaard, voor zover deze waren gericht tegen de ingangsdatum van de uitkering en de opgelegde maatregel. De in geding zijnde datum is daarmee gewijzigd van 26 april 2002 in 11 april 2002. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit op 31 december 2002 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 23 februari 2004 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen het opleggen van de maatregel tot verlaging van de toegekende uitkering met 100% gedurende zes maanden, te rekenen vanaf 11 april 2002. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Op 10 maart 2004 heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) tegen de uitspraak van de rechtbank. Blijkens de op 8 april 2004 ingediende nadere gronden richtte het hoger beroep zich tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep voor zover dit zich richtte tegen de opschorting en de beëindiging van de uitkering. Het hoger beroep was aldus niet gericht tegen de gegrondverklaring door de rechtbank en de overwegingen daartoe.

Op 10 maart 2004 heeft de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften Sociale Zaken en Wet voorziening gehandicapten (hierna: de commissie) een hoorzitting gehouden. De commissie heeft bij advies van dezelfde datum geadviseerd het bezwaarschrift van

23 augustus 2002, gericht tegen de maatregel, gegrond te verklaren en de uitkering ingaande 29 mei 2002 twee maanden voor 100% te weigeren.

Bij besluit van 14 april 2004 heeft verweerder conform het advies van de commissie het bezwaarschrift van 23 augustus 2002 gegrond verklaard. Verweerder heeft de ingangsdatum van de 100%-weigering vastgesteld op 29 mei 2002 en de duur van de 100%-weigering vastgesteld op twee maanden, in plaats van de eerder vastgestelde

6 maanden.

Gelet op het ingestelde hoger beroep heeft verweerder het besluit aangemerkt als zijnde een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Abw). Nu met het besluit niet volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen, is eiser, aldus verweerder, gelet op artikel 6:19 Awb voor de verdere rechtsgang inzake het besluit aangewezen op de CRvB. Tevens is eiser er op gewezen dat indien hij het niet eens is met dit besluit, hij daartegen binnen zes weken in hoger beroep kan gaan bij de CRvB.

Bij brief van 17 juni 2005 heeft eiser zich schriftelijk tot de CRvB gewend. Hij heeft daarbij aangegeven het onjuist te achten dat er met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 Awb hoger beroep open zou staan tegen het besluit van 14 april 2004. Tevens heeft hij aangegeven het besluit van 14 april 2004 onjuist te achten omdat geen sprake is van verwijtbare gedragingen, dan wel dat de maatregel disproportioneel is.

Bij uitspraak van 9 augustus 2005 heeft de CRvB het ingestelde hoger beroep inzake de opschorting en beëindiging van de uitkering ongegrond verklaard.”

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door de griffier van de Raad aan de rechtbank doorgezonden brief van appellants gemachtigde mr. Van Asperen van 17 juni 2005 aangemerkt als een beroepschrift tegen het besluit van 14 april 2004 en dit beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens, kort samengevat, niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze niet-ontvankelijkverklaring gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast dat inzake de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2004 met betrekking tot de maatregel destijds geen hoger beroep aanhangig was en dat de toepassing van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht ten tijde van de bekendmaking van het maatregelbesluit van 14 april 2004 niet aan de orde was.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 14 april 2004 is overschreden. Uit de stukken blijkt immers dat de termijn voor het instellen van beroep is aangevangen op 15 april 2004 (daags na de verzenddatum van dat besluit aan appellant en aan mr. Van Asperen) en is geëindigd op 26 mei 2004, zonder dat appellant of zijn gemachtigde daartegen actie hebben ondernomen. Op het tijdstip dat mr. Van Asperen wel namens appellant actie ondernam, door middel van indiening van het beroepschrift van 17 juni 2005 bij de Raad, was de termijn voor het indienen van het beroepschrift verstreken.

Van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest is naar het oordeel van de Raad in dit geval geen sprake. De omstandigheid dat het College ten onrechte

bij de rechtsmiddelvoorlichting onder het besluit van 14 april 2004 voor de rechtsgang inzake dit besluit heeft verwezen naar de Raad is niet voldoende voor het verschoonbaar achten van de termijnoverschrijding. De gemachtigde van appellant heeft zich, zoals ook blijkt uit diens beroepschrift van 17 juni 2005, terecht op het standpunt gesteld dat tegen dit besluit beroep bij de rechtbank had moeten worden ingesteld. Hij heeft dit evenwel nagelaten en niet eerder dan bij beroepschrift van 17 juni 2005 kenbaar gemaakt dat appellant zich met het besluit van 14 april 2004 niet kon verenigen. Naar vaste rechtspraak wordt een processueel verzuim van een gemachtigde toegerekend aan degene die de behartiging van zijn belangen aan de gemachtigde heeft toevertrouwd.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op

24 juni 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) M.J. Bernhagen

OA