Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
06-3909 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding? Vergoeding wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3909 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van

26 mei 2006, 06/2132 en 06/2619 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 juni 2007. Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.M. Jong A. Kiem, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

De Raad heeft het onderzoek heropend in afwachting van een rechterlijke uitspraak in een voor onderhavig geding relevante zaak. Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Het College heeft bij besluit van 14 september 2005 de aan appellante verleende bijstand met ingang van 7 september 2005 ingetrokken. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellante samenwoont met haar ex-echtgenoot, waarover ze het College niet heeft ingelicht. De op 3 oktober 2005 door appellante ingediende aanvraag om haar weer in aanmerking te brengen voor een bijstandsuitkering heeft het College bij besluit van 21 oktober 2005 afgewezen.

De tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van respectievelijk 24 januari 2006 en 19 januari 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 januari 2008, 06/1195 en 06/1192, heeft de rechtbank Amsterdam de beroepen van appellante tegen voornoemde besluiten gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en de primaire besluiten van 14 september 2005 en 21 oktober 2005 herroepen. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het College er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat appellante - feitelijk gezien - met haar ex-echtgenoot ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde.

In onderhavig hoger beroep ligt voor het besluit van 14 maart 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 16 mei 2006, waarbij het College de aanvraag om bijstand van appellante van 9 februari 2006 heeft afgewezen. Aan laatstvermeld besluit ligt ten grondslag dat appellante op 9 februari 2006 nog steeds een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot voerde.

Gelet op de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2008, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, is dit uitgangspunt - achteraf bezien - onjuist gebleken. Dit betekent dat het besluit van 16 mei 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen voornoemd besluit ongegrond is verklaard, dienen te worden vernietigd. Voorts ziet de Raad in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding het primaire besluit van 14 maart 2006 te herroepen.

Voor wat betreft het verzoek om schadevergoeding overweegt de Raad dat met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken besluit van 14 maart 2006 schade heeft geleden, verband houdend met vertraagde betaling van de uitkering. Als gevolg van dat onrechtmatige besluit is aan appellante vanaf 9 februari 2006 ten onrechte geen bijstand uitbetaald. De eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente is verschuldigd, dient dan te worden gesteld op 28 februari 2006 en wel tot de dag van algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De Raad ziet aanleiding op dit punt zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan appellante overeenkomstig het voorgaande een vergoeding van de wettelijke rente wordt toegekend.

Op grond van de bovenstaande overwegingen ziet de Raad aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 mei 2006;

Herroept het besluit van 14 maart 2006;

Bepaalt dat aan appellante een vergoeding van wettelijke rente wordt toegekend op de in rubriek II van deze uitspraak aangegeven wijze;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze Raad;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J.M.A van der Kolk-Severijns en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

IJ