Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
05-2295 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Psychiatrische beperkingen gebaseerd op zorgvuldig medisch onderzoek en voorzien van een deugdelijke motivering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2295 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erfgenaam van [Betrokkene], betrokkene, laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 maart 2005, 04/1572 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de gemeente Gilze en Rijen is meegedeeld dat betrokkene op 10 januari 2006 is overleden.

Op 30 mei 2007 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De erven van betrokkene zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

De dochter van betrokkene, [naam dochter], wonende te

[woonplaats], heeft bij brief van 5 maart 2008 meegedeeld dat zij de procedure wenst voort te zetten en heeft daarbij een verklaring van erfrecht overgelegd.

Op 7 mei 2008 heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden.

[naam dochter] is verschenen, bijgestaan door haar vader

[naam vader]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.G. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als huishoudelijk medewerkster en is op 23 september 1998 vanuit dat werk uitgevallen met psychische klachten. Na afloop van de wachttijd is betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In verband met toegenomen klachten is de uitkering per 29 juli 2003 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Betrokkene leed aan een bipolaire stoornis waarvoor zij in de periode van 1982 tot 2004 negen maal klinisch is behandeld. In de rapportage van 14 oktober 2003 van psychiater-gedragstherapeut drs. E.D.M. Masthoff en sociaal-psychiatrisch verpleegkundige M. Brants is verslag gedaan van haar opname van juli tot september 2003. Bij opname was sprake van een manisch toestandsbeeld. Tijdens de opname is een machtiging tot inbewaringstelling afgegeven. Na een aantal dagen van gedwongen opname accepteerde betrokkene de behandeling weer en verbeterde haar toestand. Vermeld is dat betrokkene tijdens de manische episode erg moeilijk te motiveren en in te stellen was op medicatie, met als gevolg dat het toestandsbeeld dan snel verslechterde.

1.3. Op 19 januari 2004 is betrokkene verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportages van 19 januari 2004 geconcludeerd dat sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden en beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren, een beperking voor ’s nachts werken en een urenbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week. Wat betreft persoonlijk functioneren was betrokkene aangewezen op vaste bekende werkwijzen, voorspelbare werksituaties en werk zonder veelvuldige deadlines en productiepieken. Wat betreft sociaal functioneren is een beperking aangenomen voor omgaan met conflicten en werd betrokkene aangewezen geacht op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat.

1.4. In een brief van 30 januari 2004 heeft Masthoff toegelicht dat de toestand van betrokkene redelijk stabiel was maar dat zij nog steeds klachten had als gevolg van de bipolaire stoornis en de bijwerkingen van de medicatie. Betrokkene was moeilijk te stabiliseren. Zij had herhaaldelijk na decompensaties haar leven weer opgepakt en hervat in arbeid. Betrokkene was een gemotiveerde vrouw, maar door de vele decompensaties was haar (chronische) kwetsbaarheid toegenomen. Betrokkene was aangewezen op structuur, rust en diende voorzichtig te zijn met stress. Masthoff acht het waarschijnlijk dat het hoogst haalbare evenwicht was bereikt. Hernieuwde decompensatie was - gelet op de ervaringen uit het verleden - niet uitgesloten. Voorts was sprake van een beperkt energieniveau, concentratieproblemen en snel optredende moeheid. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 10 februari 2004 aangegeven dat die informatie niet tot een ander standpunt leidde.

1.5. Op 10 februari 2004 heeft Masthoff telefonisch contact opgenomen met de verzekeringsarts en aangegeven dat betrokkene moeilijk was in te stellen. Bij veel stress en spanning was een snelle verstoring van het wankele evenwicht te verwachten. Volgens Masthoff kon betrokkene de verplichting om te werken niet aan. De vermoeidheid was mede het gevolg van de medicatie. Ook in deze informatie heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen.

1.6. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd waartoe betrokkene in staat werd geacht en in haar rapportage van 6 februari 2004 het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 43,95%. Bij besluit van 31 maart 2004 is de uitkering met ingang van

1 juni 2004 herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.7. De bezwaarverzekeringsarts heeft betrokkene gesproken op de hoorzitting in aanwezigheid van Brants. In zijn rapportage van 7 juni 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de belastbaarheid juist was vastgesteld en er geen aanleiding was meer beperkingen aan te nemen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was sprake van voldoende fysieke en sociale activiteit in een volstrekt normale dagstructuur, behoudens een rustpauze ’s middags. Masthoff had niet inzichtelijk gemaakt waardoor betrokkene in het geheel geen passende arbeid meer zou kunnen verrichten. Er waren voldoende beperkingen aangenomen om overmatige stress in arbeid en daarmee extra risico op decompensatie te voorkomen. De structuur en regelmaat die betrokkene aan passende arbeid kon ontlenen moest gunstig worden geacht voor het behoud van haar psychische stabiliteit. De bezwaarverzekeringsarts was van oordeel dat van betrokkene een zekere aanpassing kon worden gevergd bij de overgang van het gestructureerde bestaan thuis naar een structuur bij hervatting in (deeltijd-)arbeid. Bij besluit van 24 juni 2004 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.8. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Voorts is bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven en het Uwv aan betrokkene het griffierecht vergoedt. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit toereikend is. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden gesteld dat betrokkene per 1 juni 2004 niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden of dat de beperkingen verkeerd waren ingeschat. Ook de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, gelet op een nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige, toereikend geacht.

1.9. Masthoff heeft in een brief, bij de Raad binnengekomen op 7 juli 2005, aangegeven dat betrokkene met veel moeite enigszins te stabiliseren was. De kwetsbaarheid van betrokkene bleek uit de psychiatrische voorgeschiedenis. Masthoff achtte betrokkene niet in staat om enige structurele activiteit met bijbehorende prestatie-eisen te verrichten. In een reactie van 15 juli 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat niet was voldaan aan de criteria om aan te nemen dat sprake was van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Door Masthoff is niet onderbouwd dat betrokkene niet in staat was tot enige structurele activiteit. De kwetsbaarheid van betrokkene is onderkend door de gestelde beperkingen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was de kwetsbaarheid gerelateerd aan de beperkte therapietrouw van betrokkene en wist zij haar dagelijkse leven prima te structureren, gelet op haar activiteiten zoals sporten en wandelen met de hond. Het ingroeien in passende arbeid kon in therapeutisch opzicht en voor haar welbevinden van “onschatbare waarde” zijn.

1.10. Op de zitting van 7 mei 2008 heeft de erfgenaam van betrokkene verklaard dat in

juni 2004 het dagelijks leven van betrokkene zich voltrok volgens een strikt schema en vaste “rituelen”, zoals iedere morgen stofzuigen en boodschappen doen. Hierdoor kon zij haar medicatie nauwkeurig afstemmen op alles wat ze deed. Betrokkene trachtte zo te voorkomen dat zij opnieuw zou decompenseren.

2.1. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

2.2. De erfgenaam van betrokkene heeft het standpunt ingenomen dat betrokkene per

1 juni 2004 volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van een bipolaire stoornis en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. De stoornis is in de loop der jaren toegenomen waardoor betrokkene steeds meer beperkt is geraakt. De pogingen tot re-integratie in arbeid na psychische decompensaties werden steeds moeizamer. Aangevoerd is - onder verwijzing naar de informatie van Masthoff - dat betrokkene hoog is ingesteld op diverse medicijnen, aangewezen was op een stressarm bestaan en veel rust nodig had.

2.3. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene niet volledig arbeidsongeschikt was en dat voldoende beperkingen zijn aangenomen.

3.1. De Raad overweegt dat betrokkene medio 2003 een periode van decompensatie doormaakte en dat de medische toestand van betrokkene in januari 2004 weer redelijk stabiel was. Zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts zijn de dagbesteding van betrokkene uitvoerig nagegaan. De Raad twijfelt dan ook niet aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat betrokkene in staat was structuur aan te brengen in haar dagelijks leven. Evenwel is naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderzocht of de gestabiliseerde toestand zou worden verstoord indien betrokkene het werk zou hebben hervat.

Betrokkene heeft in de periode vanaf 1982 herhaaldelijk getracht het werk te hervatten. Anders dan na eerdere decompensaties - de Raad wijst op de informatie van de eerdere behandelend psychiaters Collumbien en Resida - was blijkens de informatie van Masthoff begin 2004 waarschijnlijk het hoogst haalbare evenwicht bereikt en moest betrokkene haar activiteitenniveau afstemmen op de chronische restklachten. In de - door het Uwv niet weersproken - verklaring van de erfgenaam van betrokkene ter zitting dat betrokkene in juni 2004 volgens een strikt schema leefde teneinde decompensatie te voorkomen ziet de Raad een bevestiging van dit beeld.

3.2. De constatering van de bezwaarverzekeringsarts dat de kwetsbaarheid gerelateerd was aan “beperkte therapietrouw” kan de Raad niet volgen. In de rapportage van

14 oktober 2003 is weliswaar aangegeven dat betrokkene erg moeilijk te motiveren en in te stellen was op medicatie. Dit was echter aan de orde tijdens de manische episode en is aanleiding geweest tot het nemen van maatregelen om een eventuele (nieuwe) manische decompensatie voor te zijn. In een rapportage van 13 november 1998 stelt psychiater Collumbien dat betrokkene was “teruggevallen ondanks dat zij zeer therapie-trouw is” en Masthoff stelt in de brief van 13 januari 2004 dat betrokkene een gemotiveerde vrouw was die herhaaldelijk na decompensaties haar leven weer oppakte en hervatte in arbeid. De constatering van de bezwaarverzekeringsarts is met deze gegevens niet te verenigen.

3.3. Masthoff heeft ter ondersteuning van zijn opvatting dat de kwetsbaarheid van betrokkene is toegenomen verwezen naar de psychiatrische voorgeschiedenis. In het licht van die voorgeschiedenis komt het de Raad juist voor dat op de datum hier in geding sprake was van toegenomen kwetsbaarheid van betrokkene.

De verwijzing door de bezwaarverzekeringsarts naar de dagbesteding van betrokkene acht de Raad ontoereikend om aan te nemen dat bij het stellen van beperkingen in voldoende mate rekening is gehouden met de toegenomen chronische kwetsbaarheid.

3.4. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv gelet op de informatie van Masthoff, die ondersteund wordt door de verklaringen van Brants op de hoorzitting, onvoldoende onderbouwd dat betrokkene bij hervatting in arbeid in staat zou zijn geweest haar leven opnieuw te structureren. De stelling van het Uwv dat de informatie van Masthoff onvoldoende inzichtelijk was - wat hiervan ook zij - verwerpt de Raad. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft niet zonder nader onderzoek, zo nodig met inschakeling van een deskundige psychiater, en in weerwil van het gemotiveerde betoog van Masthoff mogen aannemen dat betrokkene ook na hervatting in passend geachte werkzaamheden in staat zou zijn geweest haar leven voldoende te structureren zonder ernstig risico op decompensatie.

4.1. De Raad concludeert dat de beperkingen niet zijn gebaseerd op zorgvuldig medisch onderzoek en niet van een deugdelijke motivering zijn voorzien. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.2. Nu hiervoor reeds is geconcludeerd dat geen sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek en evenmin van een deugdelijke motivering, zal het Uwv tevens dienen te bezien of voldoende grond bestaat het standpunt met betrekking tot de duurzaam benutbare mogelijkheden van betrokkene te handhaven.

5. De Raad is niet gebleken van proceskosten die onder toevoeging van art 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de erfgenaam van betrokkene het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM