Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
06/2763 WAO, 06/4391 WAO + 07/196 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag? Schending wettelijke beslistermijn? Intrekking ZW-uitkering. Dient rechtbank op alle voorgedragen beroepsgronden afzonderlijk te reageren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2763 WAO, 06/4391 WAO + 07/196 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 maart 2006, 04/1567 (hierna: aangevallen uitspraak I)

en

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 december 2006, 06/1388 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 2 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken I en II.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 27 februari 2008 plaatsgevonden. De gedingen zijn gevoegd behandeld. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.D. Mak.

II. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van aangevallen uitspraak I.

Appellante heeft zich per 30 december 2002 ziekgemeld. Zij had op dat moment recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 26 november 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 28 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 november 2003. Bij besluit van 9 november 2004 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 1 gerichte beroep gegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat er sprake is geweest van een adequaat en volledig medisch onderzoek en de rechtbank concludeerde dan ook dat het medisch aspect van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante de rechterlijke toets kon doorstaan. Ten aanzien van het arbeidskundige deel van de beoordeling oordeelde de rechtbank evenwel dat door het Uwv onvoldoende was gemotiveerd waarom bij de vaststelling van het maatmanloon van appellante geen rekening was gehouden met een dertiende maand en een winstuitkering.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 28 april 2006 (hierna: bestreden besluit 2) appellantes bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de reikwijdte en de ontvankelijkheid van het hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

Het Uwv is met bestreden besluit 2, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak I is genomen, niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellante, zodat ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2. Nu bestreden besluit 2 geacht moet worden in de plaats te komen voor het vernietigde bestreden besluit 1, heeft appellante naar vaste rechtspraak van de Raad in beginsel geen belang meer bij beoordeling van haar hoger beroep, tenzij van een afzonderlijk belang zou blijken. Dit belang kan zijn gelegen in een verzoek om schadevergoeding. Aangezien appellante een verzoek heeft gedaan om toepassing van artikel 8:73 van de Awb heeft zij naar oordeel van de Raad belang behouden bij beoordeling van het beroep, zodat appellante daarin kan worden ontvangen.

In hoger beroep is in de eerste plaats de vraag aan de orde of de beslissing van het Uwv om aan appellante met ingang van 28 december 2003 geen WAO-uitkering toe te kennen op een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing berust.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Wat de medische aspecten betreft, stelt de Raad vast dat appellante is onderzocht door een verzekeringsarts en dat informatie is ingewonnen bij de huisarts van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na dossierstudie, ingestemd met de bevindingen van de verzekeringsarts.

De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onvolledig of onzorgvuldig is te achten. De omstandigheid dat de verzekeringsarts noch de bezwaarverzekeringsarts een meting van appellantes bloeddruk hebben verricht, maakt dit niet anders. De verzekeringsarts was blijkens zijn rapportage op de hoogte van de verhoogde bloeddruk, maar uit deze rapportage blijkt ook dat op het moment van onderzoek andere klachten op de voorgrond stonden. De bezwaarverzekeringsarts geeft vervolgens in zijn rapportage aan dat met de aan appellante voorgeschreven medicatie de ergste klachten en beperkingen als gevolg van een verhoogde bloeddruk worden tegengegaan.

Appellante heeft geen medische informatie in het geding gebracht die concrete aanwijzingen oplevert over de ernst van haar medische beperkingen op de datum die thans in geding is, 28 december 2003 of die haar stelling onderbouwt dat er sprake is van meer en ernstiger beperkingen dan die door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn aangenomen.

De Raad kan er in dit verband niet aan voorbij zien dat appellante herhaaldelijk nader onderzoek naar eventuele psychische beperkingen van de hand heeft gewezen, hoewel zij heeft aangegeven als gevolg van het doormaken van verschillende zogenoemde life events (ook) geestelijk uitgeput te zijn. In de omstandigheid dat appellante heeft betoogd dat de door haar ondergane trauma’s dermate uniek zijn dat deze niet adequaat door een reguliere psycholoog of psychiater kunnen worden vastgesteld, ziet de Raad geen aanleiding om als gevolg van het achterwege blijven van nader onderzoek naar de aard en omvang van deze psychische beperkingen het verzekeringsgeneeskundig onvolledig of onzorgvuldig te achten. Daar komt bij dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de door appellante beschreven voorgeschiedenis in hun beschouwingen hebben betrokken.

Wat de arbeidskundige aspecten betreft, overweegt de Raad het volgende.

Uitgaande van de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) neergelegde beperkingen, is de belastbaarheid van appellante naar het oordeel van de Raad in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet overschreden. In de rapportages van de bezwaar-arbeidsdeskundigen J. Buitenhuis en J. van Dijk van 23 februari 2005 en 26 april 2006 zijn de door het Claimbeoordelings- en borgingssysteem gegenereerde signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid afdoende toegelicht. De Raad is dan ook van oordeel dat er ook op deze punten van overschrijding van de belastbaarheid geen sprake is.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak I bestreden besluit 1 vernietigd, omdat daarin onvoldoende was gemotiveerd waarom bepaalde emolumenten niet in het maatmanloon waren meegerekend. In de aan bestreden besluit 2 gehechte rapportage van 26 april 2006 geeft de bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk een nadere toelichting op de berekening van het maatmanloon.

De Raad is van oordeel dat thans afdoende is gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een dertiende maand of een tantième in het maatmanloon te betrekken.

Uit meergenoemde rapportage van 26 april 2006 blijkt dat de voormalige werkgever van appellante heeft meegedeeld dat appellante geen structureel recht had op deze emolumenten. Appellante bestrijdt de vaststelling van de bezwaararbeidsdeskundige dat zij geen winstuitkering heeft ontvangen, omdat zij onvoldoende gefunctioneerd zou hebben. Wat er van deze verklaring voor het achterwege blijven van een winstuitkering verder zij, deze doet niet af aan de vaststelling van de bezwaararbeidsdeskundige dat er feitelijk geen uitkering is uitbetaald en dat daar ook geen recht op bestond. Appellante heeft in hoger beroep geen argumenten aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van vaststelling van het maatmanloon.

De Raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat het beroep tegen bestreden besluit 2 niet kan slagen.

Voorts overweegt de Raad nog het volgende. Zowel in beroep als in hoger beroep heeft appellante betoogd dat het Uwv bij het nemen van bestreden besluit 1 de wettelijke beslistermijn heeft overschreden. De Raad stelt vast dat appellante bij bezwaarschrift gedateerd 29 december 2003 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van

26 november 2003 en dat het Uwv het bestreden besluit 1 eerst op 9 november 2004 heeft genomen. Gelet op de in artikel 87d van de WAO neergelegde beslistermijn is bestreden besluit 1 niet tijdig genomen.

De Raad is van oordeel dat de schending van de wettelijke beslistermijn door het Uwv in dit geval niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden. De rechtbank heeft het bestreden besluit 1 immers al vernietigd, zij het op andere gronden, terwijl de Raad niet is gebleken van schade die appellante zou hebben geleden door het te lang uitblijven van de beslissing op bezwaar.

Voorts heeft appellante betoogd dat het Uwv bij het behandelen van haar bezwaarschrift ten onrechte geen hoorzitting heeft doen plaatsvinden. Deze grief kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De Raad leidt uit de telefoonnotitie van 23 juli 2004 van het Uwv en de brief van appellante van 26 juli 2004 af dat appellante na overleg met het Uwv van een hoorzitting heeft afgezien.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak I niet kan slagen.

Ten aanzien van aangevallen uitspraak II

Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is aan appellante met ingang van

28 december 2003 een WAO-uitkering geweigerd. Vervolgens is zij, van 4 april 2004 tot en met 10 oktober 2004, via een uitzendbureau werkzaam geweest als (directie)secretaresse bij een Kamer van Koophandel en heeft zij vooraf 11 oktober 2004 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij besluit van 21 februari 2006 heeft het Uwv beslist dat appellante met ingang van 20 februari 2006 geen recht meer heeft op ZW-uitkering.

In het besluit van 28 april 2006 (hierna: bestreden besluit 3) heeft het Uwv de intrekking van de ZW-uitkering met ingang van 20 februari 2006 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 3 gerichte beroep ongegrond verklaard.

De Raad stelt voorop dat in dit geding slechts ter beoordeling staat of het Uwv bij het bestreden besluit 3 terecht zijn beslissing dat appellante met ingang van 20 februari 2006 niet langer recht heeft op ZW-uitkering heeft gehandhaafd. Hieruit volgt dat thans niet aan de orde is of het Uwv naar aanleiding van de ziekmeldingen van appellante na

11 oktober 2004 had moeten onderzoeken of er gronden aanwezig waren om appellante, al of niet met toepassing van artikel 43a van de WAO, een WAO-uitkering toe te kennen.

Ten aanzien van de hiervoor vermelde vraag of het Uwv terecht heeft besloten met ingang van 20 februari 2006 ZW-uitkering te weigeren overweegt de Raad het volgende.

De Raad is van oordeel dat in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geen aanleiding kan worden gevonden voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank.

De Raad stelt in dit verband vast dat verzekeringsarts P.L. van Hartingsveldt blijkens de rapportages van 7 december 2005 en 14 februari 2006 en bezwaarverzekeringsarts

J.M. Fokke blijkens de rapportage van van 13 april 2006 rekening gehouden hebben met het bestaan van bepaalde beperkingen. Zij zijn echter van oordeel dat die beperkingen appellante niet beletten haar arbeid als secretaresse te verrichten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante onvoldoende objectieve medische gegevens in het geding heeft gebracht die een aanwijzing vormen voor het bestaan van meer en verdergaande beperkingen, die appellante op de datum in geding zouden verhinderen de in aanmerking komende arbeid te verrichten.

De Raad heeft hierbij mede acht geslagen op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Fokke van 9 november 2006, waarin deze aangeeft dat de omstandigheid dat inmiddels is vastgesteld dat appellante sedert 2002 aan een maagslijmvliesontsteking lijdt geen reden is om meer specifieke beperkingen aan te nemen. De Raad is voorts van oordeel dat ook de rechtbank deze rapportage in haar oordeelsvorming mocht betrekken, hoewel deze eerst ter zitting van de rechtbank op 13 november 2006 is overgelegd. De Raad is van oordeel dat appellante daardoor niet in haar procesbelangen is geschaad. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat genoemde rapportage ter zitting is voorgelezen, deze rapportage slechts 1 pagina beslaat en betrekkelijk eenvoudig van aard is. Daar komt nog bij dat deze rapportage, naar de kern genomen, niet meer inhoudt dan een reactie op door appellante bij aanvullend beroepschrift van 23 oktober 2006 overgelegde medische informatie.

Ten aanzien van de grieven die ten betoge strekken dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende zou hebben gemotiveerd, overweegt de Raad dat uit zijn vaste rechtspraak

– zie onder meer de uitspraak van 7 april 1998, LJN ZB7563 – volgt dat de rechtbank op grond van de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb niet zonder meer gehouden is op alle voorgedragen beroepsgronden afzonderlijk te reageren.

De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen.

Ten aanzien van beide aangevallen uitspraken

De aangevallen uitspraak I komt, met verbetering van gronden waarop deze berust, voor bevestiging in aanmerking. Het beroep dat gericht moet worden geacht tegen bestreden besluit 2 is ongegrond.

Voorts is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak II dient te worden bevestigd.

De Raad is dan ook van oordeel dat het verzoek van appellante tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb moet worden afgewezen.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en

B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

SSw