Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
06-5232 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5232 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2006, 05/2467 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. de Jonge, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. de Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 1998 is appellant met psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als surveillant in een bibliotheek. Aan hem is met ingang van 31 maart 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 26 november 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 20 januari 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Namens appellant heeft mr. J.A. de Jonge tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat (de bezwaarverzekeringsarts van) het Uwv uit het niet melden door appellant van enkele klachten tijdens de hoorzitting in bezwaar ten onrechte heeft geconcludeerd dat deze niet (langer) bestaan en daaraan de conclusie heeft verbonden dat een aantal beperkingen kon vervallen, dat (de bezwaarverzekeringsarts van) het Uwv van een onjuiste diagnose is uitgegaan en dat appellant door zijn beperkingen de hem door het Uwv geduide functies niet kan verrichten. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke medische deskundige te benoemen voor nader onderzoek.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met de stellingname van appellant in eerste aanleg, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

5.2. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat door appellant (ook) in hoger beroep geen medische informatie is overgelegd die zou kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv bij appellant vastgestelde beperkingen. De stelling van appellant dat het Uwv van een onjuiste diagnose zou zijn uitgegaan faalt, reeds nu het bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid gaat om de vaststelling van eventuele beperkingen van een verzekerde en niet om de vraag welke diagnose als juist moet worden aangemerkt. Overigens kan de Raad uit de stukken niet afleiden in welk opzicht de door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in zijn rapportage vermelde diagnose, hoewel op andere wijze verwoord dan door de huisarts van appellant, onjuist zou zijn.

5.3. De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn stelling dat het Uwv in bezwaar geen rekening meer heeft gehouden met bepaalde klachten van appellant om de enkele reden dat appellant deze klachten tijdens de hoorzitting in bezwaar niet zou hebben genoemd. Uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van het Uwv van 25 april 2005 kan de Raad niet afleiden dat uitsluitend het niet noemen van bepaalde klachten door appellant tijdens de hoorzitting, waar de bezwaarverzekeringsarts aanwezig was, reden is geweest om met deze klachten bij het vaststellen van beperkingen bij appellant geen rekening (meer) te houden. In deze rapportage wordt immers mede verwezen naar andere informatie waar de bezwaarverzekeringsarts haar mening op baseert. Voorts wijst de Raad er op dat de door een arbeidsdeskundige van het Uwv voor appellant geduide functies zijn gebaseerd op de door de primaire verzekeringsarts van het Uwv ten aanzien van appellant vastgestelde verdergaande beperkingen.

5.4. Gelet op het bovenstaande heeft de Raad geen aanleiding gezien tot het benoemen van een onafhankelijke medische deskundige voor het verrichten van nader onderzoek.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier, uitgesproken in het openbaar op1 juli 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) Y. van der Zaan-van Arnhem.

RB