Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
08 - 2886 MAW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten: tijdens zijn wachtdienst enige tijd niet alert en niet waakzaam geweest. Afwijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2886 MAW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker],

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ,’s-Gravenhage van 13 mei 2008, 08/2637 en 08/2638 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris).

Datum uitspraak: 23 juni 2008.

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2008. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.J. Legein, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker was sedert 15 november 2004 voor de duur van vijf jaar aangesteld als militair bij het beroepspersoneel bij de Koninklijke Marechaussee en vervulde de functie van beveiligingsambtenaar bij de brigade [naam brigade].

1.2. Op 17 oktober 2005 had verzoeker van 13.30 tot 21.30 uur wachtdienst bij het Koninklijk Staldepartement (hierna: KSD). Omstreeks 19.20 uur wilde kolonel W. het KSD verlaten. Toen de deuren van de uitgang van het KSD niet werden geopend, is W. uit zijn auto gestapt en heeft hij door de ramen in de wachtkamer gekeken. Hij zag verzoeker en een collega in hun stoel achterover hangen. Kolonel W. heeft een aantal minuten staan kijken en geen enkele beweging of reactie gezien. Pas toen hij op het raam tikte, drukte verzoeker op de knop om de deuren te openen.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 8 februari 2007 heeft de staatssecretaris verzoekers bezwaar tegen zijn besluit van 12 juni 2006, waarbij verzoeker met ingang van 15 juli 2006 ontslag is verleend met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten, ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat, gelet op de door kolonel W. afgelegde verklaring, in voldoende mate aannemelijk is geworden dat verzoeker tijdens zijn wachtdienst heeft geslapen.

1.4. Nadat de rechtbank ’s-Gravenhage het besluit van 8 februari 2007 bij haar uitspraak van 21 december 2007 had vernietigd, heeft de staatssecretaris op 14 maart 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het ontslag wederom is gehandhaafd. Hoewel volgens de staatssecretaris niet kan worden geconcludeerd dat verzoeker daadwerkelijk heeft geslapen, is voldoende komen vast te staan dat verzoeker zijn ogen enige tijd gesloten had. Hierdoor is hij enige minuten niet alert en niet waakzaam geweest, terwijl het zijn taak was om het KSD te bewaken.

2.1. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak vernietigd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is komen vast te staan dat verzoeker zijn ogen enige tijd gesloten had, zodat het besluit op dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zag echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de staatssecretaris op goede gronden heeft geconcludeerd dat verzoeker tijdens zijn wachtdienst enige tijd niet alert en niet waakzaam is geweest, waardoor verzoeker verregaand nalatig is geweest in de vervulling van zijn plichten. Gelet op de aard en ernst van verzoekers gedraging bestond er volgens de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

2.2. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst - naar de voorzieningenrechter aanneemt: voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten - en dat verzoeker zijn werkzaamheden weer kan hervatten. Als spoedeisend belang heeft verzoeker naar voren gebracht dat de behandeling van het (hoger) beroep geruime tijd in beslag zal nemen en dat hij eerst na een gegrondverklaring van dat beroep zijn werkzaamheden weer zal kunnen hervatten, waardoor de periode tot aan het einde van zijn tijdelijke aanstelling beperkt is, en als gevolg daarvan ook de mogelijkheid om een aanstelling voor onbepaalde tijd te verkrijgen geringer is. Verzoeker wil graag terug naar de Marechaussee en is in verband daarmee thans beperkt in de mogelijkheid om in de tussentijd andere werkzaamheden te aanvaarden. Daarbij is het volgens verzoeker evident dat tot een gegrondverklaring van het hoger beroep van verzoeker dient te worden gekomen.

2.3. De staatssecretaris bestrijdt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft en acht overigens geen gronden aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening.

3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.3. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang. Op grond van het navolgende bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter voorshands niet een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak - althans voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten - in hoger beroep niet in stand zal blijven.

3.4. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker niet bestrijdt dat hij, nu hij had plaatsgenomen in de zogenaamde 24-uursstoel van waaruit de monitoren in de gaten moesten worden houden, actieve wachtdienst had. Behalve verzoeker was in de wachtkamer verzoekers collega H. aanwezig, die op dat moment geen actieve wachtdienst had en die heeft toegegeven te hebben geslapen op het moment dat kolonel W. wilde vertrekken.

3.5. Voorts staat voor de voorzieningenrechter genoegzaam vast dat kolonel W. met zijn auto onder de slagbomen door is gereden, voor het raam van de wachtkamer is gestopt, is uitgestapt, enige minuten door het raam heeft gekeken waar verzoeker en H. achterover in hun stoelen lagen zonder dat zij zich bewogen, vervolgens naar de dienstingang is gelopen en weer terug, en dat verzoeker en H. toen nog steeds in diezelfde houding lagen. In zijn op 26 oktober 2005 afgelegde verklaring heeft verzoeker ook erkend dat hij niet heeft gezien dat er een auto onder de slagboom door was gereden.

3.6. Uit het feit dat kolonel W. enige minuten onopgemerkt door de beveiliging voor de ramen van het wachtlokaal heeft kunnen staan, heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht kunnen afleiden dat verzoeker enige tijd niet alert en niet waakzaam is geweest, waardoor hij verregaand nalatig is geweest in de vervulling van de plichten die verbonden zijn aan de functie van beveiliger bij de Koninklijke Marechaussee.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker vooralsnog niet in zijn stelling dat uit de verklaring van wachtcommandant L. moet worden afgeleid dat de taak van verzoeker slechts het waarnemen van de monitoren was en dat hem dus niet kan worden verweten kolonel W. niet te hebben gezien. Van de zijde van de staatssecretaris is niet ten onrechte opgemerkt dat verzoeker, ook uitgaande van de door hem beschreven positie voor de monitoren, bij de nodige alertheid kolonel W., dan wel (de lichten van) zijn auto moet hebben kunnen zien. Daar komt bij dat verzoeker op dat moment de enige persoon in het wachtlokaal was die alert en waakzaam kon zijn, nu hij zelf had gezien dat zijn collega H. dat in ieder geval niet was.

3.7. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de staatssecretaris in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb komt niet voor toewijzing in aanmerking.

4. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2008.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) M.J.A. Reinders.

RW