Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5873

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
08 - 2459 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Schorsing van de werking van de uitspraak van de rechtbank waarin dienstverband wordt hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2459 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 april 2008, 07/3596 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

verzoeker

Datum uitspraak: 23 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hierbij heeft verzoeker tevens verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2008. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Visser, advocaat te ’s-Hertogenbosch en door drs. E. Simons en C. Smits, beiden werkzaam bij de gemeente Waalwijk. Voor betrokkene is verschenen mr. L.G.C.M. de Wit, advocaat te Oosterhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1 september 2000 in dienst bij verzoekers gemeente, met ingang van 22 juni 2005 als beheerder [werkgever]. Bij besluit van 1 maart 2007 heeft verzoeker aan betrokkene per 15 maart 2007 met toepassing van artikel 8:6, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziekten of gebreken, voor de vervulling van zijn eigen functie van sporthalbeheerder dan wel voor enige andere functie bij de gemeente Waalwijk. Dit besluit is door verzoeker gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 16 juli 2007 (hierna: bestreden besluit).

1.2. Verzoeker heeft aan de onbekwaamheid dan wel ongeschiktheid van betrokkene ten grondslag gelegd dat betrokkene in strijd met de geldende regels in de maanden september en oktober 2006 meer geld in kas heeft gehad dan het toegestane maximum van € 1.000,- en dat hij een uit de kluis afkomstig geldbedrag van € 6.400,- in de nacht van 31 oktober 2006 op 1 november 2006 onbeheerd in een plastic emmer in zijn auto bij de sporthal, en daarna nabij zijn woning heeft achtergelaten, waarna dit geld is gestolen. Verzoeker heeft als gevolg van de handelwijze van betrokkene geen enkel vertrouwen meer in het functioneren van betrokkene.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het primaire besluit van 1 maart 2007 herroepen en bepaald dat deze uitspraak daarvoor in de plaats treedt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene zich weliswaar ongeschikt heeft getoond, doch dat geen sprake is van een als uitzonderlijk aan te merken situatie op grond waarvan een verbeterkans niet zinvol is te achten. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat verzoeker in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel geen herplaatsingsonderzoek heeft verricht. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van vertrouwen slechts is gestoeld op een onzorgvuldige omgang met geld van verzoeker. Het had onder die omstandigheden op de weg van verzoeker gelegen te bezien of betrokkene kon worden geplaatst in een functie met minder financiële verantwoordelijkheid.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. De uitspraak van de rechtbank strekt ertoe dat het dienstverband van betrokkene is hersteld. Nu verzoeker dit onaanvaardbaar acht, heeft hij een spoedeisend belang bij opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak.

3.3. Bij de beoordeling of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen komt in een geval als dit mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Het hier op die vraag te geven antwoord draagt een voorlopig karakter en is niet bindend voor de uitspraak in de hoofdzaak.

3.4. Evenals de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat bij betrokkene de eigenschappen, mentaliteit en instelling ontbreken die voor een goede vervulling van zijn functie nodig zijn. De voorzieningenrechter is echter, anders dan de rechtbank, van oordeel dat betrokkene het door zijn handelwijze voor zichzelf onmogelijk heeft gemaakt om nog binnen de gemeente Waalwijk werkzaam te kunnen zijn. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat betrokkene zich als verantwoordelijke functionaris heeft kunnen en moeten realiseren dat hij met het tot tweemaal toe, zonder dat daartoe enige noodzaak bestond, gedurende een langere periode, waaronder de nacht, onbeheerd in een plastic emmer in zijn auto achterlaten van een onder zijn beheer gesteld omvangrijk bedrag aan kasgeld, een aanmerkelijk risico van diefstal in het leven heeft geroepen.

3.5. Wat er zij van de overige verwijten aan het adres van betrokkene, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker - in aanmerking genomen het op deze hoogst nalatige wijze omgaan met aan hem toevertrouwde kasgelden, zoals dat volgt uit betrokkenes lezing van de gebeurtenissen - zich met recht op het standpunt gesteld dat sprake is van een instelling waarmee betrokkene zichzelf definitief diskwalificeert voor het op een geloofwaardige en betrouwbare wijze vervullen van welke functie dan ook binnen verzoekers gezagsbereik. Het standpunt van verzoeker dat het bieden van een verbeterkans gezien de aard van het gedrag achterwege kon blijven acht de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden niet onjuist.

3.6. De voorzieningenrechter onderschrijft voorts de opvatting van verzoeker dat betrokkene uit zichzelf had behoren te beseffen dat zijn handelwijze niet door de beugel kon en dit achterwege had moeten laten. Dat, naar betrokkene stelt, het afstoten van kasgelden niet tot zijn functie behoort en hij daarover geen instructies heeft ontvangen van zijn werkgever, kan, nog daargelaten dat dit niet aannemelijk is te achten, dan ook niet leiden tot de conclusie dat verzoeker betrokkene in dit opzicht nog een kans had moeten geven om zich te verbeteren.

3.7. De vraag of de omstandigheden van dit geval meebrengen dat een onderzoek naar de herplaatsbaarheid van betrokkene in een andere functie voorwaarde had moeten zijn om het ontslagbesluit zorgvuldig te achten beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen bestond daartoe geen aanleiding.

3.8. De voorzieningenrechter ziet gezien het vorenstaande grond te oordelen dat de aangevallen uitspraak naar alle waarschijnlijkheid geen stand zal houden. Op grond van dit voorlopige oordeel en gelet op de omstandigheid dat uitvoering van de aangevallen uitspraak met zich zou brengen dat verzoeker het dienstverband met betrokkene zou moeten herstellen, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen, aanleiding de gevraagde voorziening te treffen.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

Schorst de werking van de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 april 2008, 07/3596, totdat op het hoger beroep is beslist;

Bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht van € 433,- terugbetaalt aan de gemeente Waalwijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.

RW