Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
07-6633 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding in verband met onrechtmatige inschrijving als ziekenfondsverzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6633 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2007, 06/3435 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid U.A., gevestigd te Leiden (hierna: Zorg en Zekerheid)

Datum uitspraak: 25 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Zorg en Zekerheid heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar vader, [naam vader]. Zorg en Zekerheid heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.M. Crebas en mr. R.J. Visscher, beiden werkzaam bij Zorg en Zekerheid.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante is sinds 1989 in dienst van KLM. In 2000 is zij daarnaast gaan werken als zelfstandig ondernemer. Met ingang van 1 januari 2003 heeft appellante als ziekenfondsverzekerde ingeschreven gestaan bij Zorg en Zekerheid. Zorg en Zekerheid heeft de inschrijving met ingang van 1 januari 2005 beëindigd.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 1 augustus 2005 heeft Zorg en Zekerheid de aan appellante opgelegde schadevergoeding van € 525,50 in verband met onrechtmatige inschrijving in de periode van 1 januari 2004 tot 17 juni 2004 gehandhaafd. Hieraan heeft Zorg en Zekerheid ten grondslag gelegd dat appellante, blijkens op 17 juni 2004 van de Belastingdienst ontvangen informatie, met ingang van 1 januari 2004 geen recht meer heeft op ziekenfondsverzekering en dat appellante heeft nagelaten Zorg en Zekerheid daarvan tijdig in kennis te stellen. Met betrekking tot de stelling van appellante dat zij de negatieve Verklaring verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen 2004, die de Belastingdienst op 14 november 2003 (hierna: Verklaring) heeft afgegeven, niet heeft ontvangen, heeft Zorg en Zekerheid zich op het standpunt gesteld erop te mogen vertrouwen dat de Belastingdienst de Verklaring tijdig aan haar heeft verzonden en dat appellante derhalve in de gelegenheid is geweest tijdig de ziekenfondsverzekering te beëindigen. Zorg en Zekerheid heeft de periode waarover schadevergoeding wordt opgelegd, beperkt tot die van 1 januari 2004 tot 17 juni 2004.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 1 augustus 2005 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding van appellante afgewezen.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Ter zitting heeft appellante aangegeven dat haar hoger beroep slechts ziet op de oplegging van de schadevergoeding van € 525,50.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ten tijde in geding was, ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) verzekerd de werknemer in de zin van de Ziektewet, wiens loon, verdiend in een of meer dienstbetrekkingen in de zin van de Ziektewet, niet meer bedraagt dan € 32.600,-- per jaar (…).

4.1.2. Ingevolge artikel 3, twaalfde lid, van de Zfw, zoals dat luidde ten tijde in geding, is het eerste lid niet van toepassing op degene die uitsluitend vanwege de hoogte van zijn inkomen niet verzekerd is ingevolge artikel 3d van die wet.

4.1.3. Artikel 3d, eerste lid, van de Zfw luidde ten tijde in geding als volgt: “Verzekerd gedurende een kalenderjaar is de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan € 20.800,--. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering bepaalde ten tijde in geding dat verzekerd is de zelfstandige.

4.1.4. Artikel 3d, tweede lid, van de Zfw luidde ten tijde in geding als volgt:

“De inspecteur van de rijksbelastingdienst verstrekt bij voor bezwaar vatbare beschikking aan de persoon, bedoeld in of krachtens het eerste lid, een verklaring waaruit blijkt dat hij voldoet aan de in het eerste lid, bedoelde voorwaarden.”

4.2.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Zfw, voor zover hier van belang, wordt al hetgeen verder de inschrijving als verzekerde betreft bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld. Daarbij kunnen verplichtingen worden opgelegd aan verzekerden. Op grond van artikel 5, vierde lid, van de Zfw kan het ziekenfonds van degene die de regels, bedoeld in het tweede lid, niet naleeft, een vergoeding vorderen van de deswege geleden schade.

4.2.2. Op grond van artikel 14, derde lid, van het op artikel 5, tweede lid, van de Zfw gebaseerde Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering (hierna: Inschrijvingsbesluit), voor zover hier van belang, dient degene die is ingeschreven bij een ziekenfonds, dit ziekenfonds terstond in kennis te stellen van feiten of omstandigheden welke tot beëindiging van de inschrijving als verzekerde leiden. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Inschrijvingsbesluit is het ziekenfonds bevoegd een vergoeding te vorderen voor schade die is geleden als gevolg van de omstandigheid dat degene die is ingeschreven in de verplichte verzekering verzuimd heeft het ziekenfonds waarbij hij is ingeschreven, overeenkomstig zijn verplichtingen ingevolge artikel 14, derde (…) lid, van het Inschrijvingsbesluit, in kennis te stellen van het einde van zijn verzekering.

4.3.1. De Raad overweegt allereerst dat in artikel 3d, tweede lid, van de Zfw limitatief is bepaald op welke wijze kan worden aangetoond dat is voldaan aan de in artikel 3d, eerste lid, bedoelde voorwaarden.

4.3.2. De Verklaring houdt in dat appellante als zelfstandige niet verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet uitsluitend op grond van de hoogte van haar inkomen. Appellante heeft de juistheid van de gegevens waarop de Verklaring berust niet bestreden. Hieruit vloeit voort dat zij op grond van artikel 3, twaalfde lid, van de Zfw in verbinding met artikel 3d, eerste lid, van de Zfw niet verzekerd was ingevolge de Zfw.

4.4.1. Door tijdige afmelding bij Zorg en Zekerheid achterwege te laten heeft appellante de op haar ingevolge artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit berustende inlichtingenplicht geschonden. De gestelde omstandigheid dat appellante de Verklaring niet heeft ontvangen heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Het had op de weg van appellante gelegen om ultimo 2003 bij de Belastingdienst te informeren naar de Verklaring verplichte ziekenfondsverzekering voor het jaar 2004, nu zij eind 2002 wel een dito verklaring voor het jaar 2003 had ontvangen. Zou appellante dat hebben gedaan dan zou zij weet hebben gehad van de Verklaring.

4.4.2. De Raad acht het aannemelijk dat Zorg en Zekerheid door de onrechtmatige inschrijving schade heeft geleden. Appellante heeft dat ook niet betwist.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voor dat Zorg en Zekerheid zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet verzekerd was ingevolge de Zfw en dat zij haar inlichtingenplicht heeft verzaakt. Zorg en Zekerheid was derhalve bevoegd om van appellante een vergoeding te vorderen voor de door de onrechtmatige inschrijving geleden schade.

4.6.1. Blijkens vaste jurisprudentie van de Raad mag het uitoefenen van de bevoegdheid om schadevergoeding te vorderen van degene die niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering, geen automatisme zijn, maar dient dit te berusten op een evenwichtige belangenafweging. Daarbij moet elk geval op zijn eigen merites worden beoordeeld.

4.6.2. In het onderhavige geval heeft appellante zich op consistente wijze op het standpunt gesteld dat zij de Verklaring niet heeft ontvangen. Nu niet gebleken is dat de Verklaring door de Belastingdienst aangetekend is verzonden, acht de Raad voldoende aannemelijk dat zij dit besluit niet heeft ontvangen. Tevens is van belang dat appellante door de complexiteit van de regelgeving op het verkeerde been is gezet en dat zij vanaf het moment dat zij de (eveneens negatieve) Verklaring verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen 2005 van 15 november 2004 ontving, op verschillende wijzen veelvuldig heeft gepoogd contact op te nemen met Zorg en Zekerheid, als ook dat de reactie hierop van Zorg en Zekerheid te wensen heeft overgelaten. Voorts is van belang dat Zorg en Zekerheid eerst op 30 november 2004 aan appellante heeft laten weten dat zij blijkens op 17 juni 2004 van de Belastingdienst ontvangen informatie met ingang van 1 januari 2004 geen recht meer heeft op ziekenfondsverzekering.

4.6.3. Uit de onder 4.6.2 genoemde omstandigheden vloeit voort dat het niet met een evenredige afweging van belangen in overeenstemming is om schadevergoeding te vorderen over de gehele periode van de onrechtmatige inschrijving; dat wil zeggen de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004. Zorg en Zekerheid heeft dat echter ook niet gedaan en de periode beperkt van 1 januari 2004 tot 17 juni 2004. De Raad is van oordeel dat Zorg en Zekerheid, gezien de onder 4.6.2 gereleveerde omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de gevorderde schadevergoeding niet verdergaand te matigen.

4.7. Gelet op hetgeen onder 4.3.1 tot en met 4.6.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd, voorzover aangevochten.

4.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.R. Sharma.

OA