Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
07-3737 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om als vervolgde in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3737 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant],

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 8 juni 2007, onderwerp BZ 46922, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Daar is appellant niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant gesteld dat, nadat zijn vader krijgsgevangen werd gemaakt, hij tezamen met zijn broers en zusters werd ondergebracht in een klooster en dat zij nadien in Kota Paris hebben verbleven waar zijn moeder al was geïnterneerd.

2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 6 februari, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

3.1. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking werd beoogd.

3.2. Blijkens de gedingstukken zijn met betrekking tot de oorlogservaringen geen objectieve gegevens beschikbaar, die bevestigen dat appellant tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving, als hiervoor bedoeld, heeft ondergaan. Hierbij is van belang dat het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis en het voormalige Bureau Overzeese Pensioenen in de hun ter beschikking staande archieven geen internerings-gegevens hebben aangetroffen die het relaas van appellant bevestigen.

3.3. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de (oudere) zuster van appellant [naam (oudere) zus] in het kader van een bij verweerster aanhangige bezwaar-procedure van de broer [naam broer] heeft verklaard, dat na de Japanse capitulatie de pemoeda’s in opstand kwamen en dat het gezin uit bescherming op stel en sprong naar Kota Paris is gegaan. De door appellant in het de aanvraag begeleidend sociaal rapport zelf beschreven bescherming in Kota Paris is daarmee in overeenstemming.

4. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) P. Boer.

HD