Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
07/3391 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Werknemersfraude. Geen juiste opgave van de gewerkte uren.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 22a
Werkloosheidswet 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/242 met annotatie van A.C. Damsteegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3391 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 mei 2007, 06/322 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juni 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius en M. Hoogeveen, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Als tolk was aanwezig K.S. Luong.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant heeft van 1 november 1993 tot 24 juli 1998 en van 23 september 1998 tot 15 mei 2000 als visverwerker gewerkt bij [werkgever] (hierna: de werkgever), van welke vennootschap [W.] directeur en grootaandeelhouder is. Daarnaast heeft appellant met enkele korte onderbrekingen gedurende de periode van 1 november 1994 tot 7 mei 2000 een WW-uitkering ontvangen.

2.2. Naar aanleiding van een melding dat mogelijk sprake is geweest van uitkeringsfraude bij een aantal werknemers van de werkgever heeft het Uwv een grootschalig onderzoek doen instellen door een opsporingsfunctionaris, werkzaam bij het directoraat Fraude, Preventie en Opsporing, in welk verband onder andere [W.] en een aantal werknemers, waaronder appellant, zijn gehoord en waarbij de administratie van het bedrijf in beslag is genomen. In het van dat onderzoek opgemaakte verslag komt naar voren dat gedurende langere tijd sprake was van structureel misbruik van de WW door de werknemers van het visfileerbedrijf. Gesteld is dat op initiatief van [W.] verschillende contracten voor onbepaalde tijd zijn omgezet in (al dan niet) tijdelijke contracten (op oproepbasis). Deze omzetting had tot doel een WW-uitkering te verkrijgen. Daarnaast zou zijn gebleken dat de werkbriefjes (slechts voorzien van een dagtekening en handtekening) door de werknemers bij [W.] zijn ingeleverd, die deze vervolgens voor de werknemers invulde. De wijze van invulling was echter niet overeenkomstig de waarheid. [W.] vulde de werkbriefjes zodanig in dat de rechten op een WW-uitkering waren gewaarborgd. De werknemers zagen de werkbriefjes na invulling door [W.] niet meer terug. Verlof- en ziektedagen werden afgewenteld op de WW en werknemers hebben deels loon en deels WW-uitkering ontvangen terwijl zij volledig hadden gewerkt. Ook werd stelselmatig bij drie volledig gewerkte weken een gewerkte dag als een niet gewerkte dag op de werkbriefjes vermeld teneinde te voorkomen dat het WW-recht zou vervallen en hij de betreffende werknemer in vaste dienst zou moeten nemen. Op deze wijze zorgde [W.] ervoor dat het loon dat hij zijn werknemers uitbetaalde, plus de WW-uitkering, ten minste gelijk was aan het loon dat normaliter uitbetaald zou moeten worden. Hierdoor werd een deel van het loon dat [W.] zou moeten betalen afgewenteld op de WW. De hiervoor geschetste gang van zaken blijkt in het bijzonder uit de ten aanzien van verschillende werknemers opgestelde rapporten werknemersfraude en uit de verklaringen in de zogenaamde “bundel [W.]” (onder andere van de medewerkers [d. G.], [J.], [T.] en [H.]).

2.3. In het naar aanleiding van het onderzoek opgestelde rapport werknemersfraude van 11 maart 2005 is ten aanzien van appellant de conclusie getrokken dat hij tijdens de uitkeringsperioden werkzaamheden bij [W.] heeft verricht en inkomsten heeft genoten, zonder daarvan mogelijk volledig of op juiste wijze melding te maken op de door hem ingeleverde werkbriefjes. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 18 mei 2005 (besluit 1) de aan appellant toegekende WW-uitkering over de periode van 1 november 1994 tot en met 7 mei 2000 ingetrokken. Bij besluit van eveneens 18 mei 2005 (besluit 2) heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de ten onrechte betaalde WW-uitkering over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 7 mei 2000 tot een nettobedrag van € 11.553,35 wegens onverschuldigde betaling van hem wordt teruggevorderd. Appellant heeft tegen de besluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 5 januari 2006 zijn de bezwaren ongegrond verklaard, met dien verstande dat de intrekking is beperkt tot de periode van 4 december 1995 tot en met 7 mei 2000, omdat alleen de werkbriefjes over deze periode beschikbaar zijn. Het Uwv acht geen dringende redenen aanwezig om geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is de rechtbank er vanuit gegaan dat het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat appellant de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 25 van de WW heeft geschonden en dat de intrekking van de uitkering heeft plaatsgevonden op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Op basis van de verklaringen van [W.], van appellant en van de werknemers [d. G.], [L.] [T.] en [H.], in onderling verband en samenhang bezien, heeft de rechtbank voldoende aannemelijk geacht dat [W.] de werkbriefjes van appellant heeft ingevuld aan de hand van de productiestaten om op deze wijze de regie te behouden in verband met te genereren WW-rechten en dat deze werkbriefjes structureel onjuist zijn ingevuld op het punt van de gewerkte uren. De rechtbank heeft appellant verantwoordelijk gehouden voor deze gang van zaken nu hij zijn handtekening onder de werkbriefjes heeft geplaatst. Nu appellant als gevolg van het niet (behoorlijk) nakomen van de verplichting van artikel 25 van de WW ten onrechte een uitkering heeft genoten, is het Uwv volgens de rechtbank terecht en op goede gronden tot intrekking hiervan op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW overgegaan en is hetgeen onverschuldigd is betaald op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW mitsdien terecht teruggevorderd.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht omdat de werkbriefjes op correcte wijze zijn ingevuld, en dat er derhalve geen grond is voor intrekking van de WW-uitkering en terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering. Hij stelt zich op het standpunt dat de bewijslast in deze op het Uwv rust. De verklaringen van [W.] en van enkele andere werknemers kunnen volgens appellant niet bijdragen aan het bewijs dat ook hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door het valselijk invullen en opmaken van de bewuste werkbriefjes. Hij blijft zich op het standpunt stellen dat de enige fout die hij heeft gemaakt, is dat hij zijn werkbriefjes door [W.] heeft laten invullen en dat het Uwv van deze gang van zaken op de hoogte was. Bovendien is appellant van mening dat aan de schending van de inlichtingenverplichting geen duidelijke begin- en einddatum is verbonden, omdat niet wordt gemotiveerd waarom al vanaf 1995 schending wordt aangenomen.

5. De Raad, beslissend op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

5.1. Uit het bij het onder 2.3 genoemde rapport werknemersfraude gevoegde proces-verbaal van het verhoor van appellant op 4 november 2004 blijkt dat appellant heeft verklaard dat hij zijn lege werkbriefjes ondertekende en door [W.] liet invullen omdat hij de Nederlandse taal niet goed machtig was en niet kan lezen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij de ingevulde werkbriefjes niet heeft teruggezien en dus niet heeft gecontroleerd of de opgave juist was. Voorts heeft appellant verklaard dat hij in juli 1999 met vakantie naar Vietnam is geweest, terwijl op het werkbriefje over de periode van

5 juli 1999 tot en met 1 augustus 1999 is opgegeven dat hij gewoon heeft gewerkt en dat hij over de gewerkte dagen loon heeft ontvangen. Met betrekking tot het werkbriefje over de periode van 2 augustus 1999 tot en met 29 augustus 1999 heeft appellant verklaard dat dit niet door hemzelf is ondertekend, omdat de geplaatste handtekening afwijkt van de zijne.

5.2. De Raad stelt vast dat het bij het besluit tot intrekking van WW-uitkering gaat om een belastend besluit waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat het Uwv aannemelijk dient te maken dat appellant onjuiste informatie heeft verschaft omtrent het door hem in de in geding zijnde periode gewerkte aantal uren. Nu vaststaat dat door appellant op het werkbriefje over de periode van 5 juli tot en met 1 augustus 1999 geen juiste opgave is gedaan van de gewerkte uren en dat over de periode van 2 augustus tot en met 29 augustus 1999 geen door appellant zelf ondertekend werkbriefje is ingeleverd, zijn er naar het oordeel van de Raad voldoende concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat de onder 2.2 beschreven werkwijze van [W.] bij de invulling van de werkbriefjes zich ook in het geval van appellant heeft voorgedaan in die zin dat de opgave op zijn werkbriefjes over de gewerkte uren structureel niet in overeenstemming is geweest met de werkelijke gang van zaken. Appellant heeft hier tegenover niet aannemelijk kunnen maken dat de werkbriefjes over een deel van de in geding zijnde periode wel juist zijn ingevuld, reeds omdat volgens zijn verklaring en die van [W.] het aantal gewerkte uren steeds door [W.] is ingevuld en appellant de ingevulde werkbriefjes nimmer op juistheid controleerde. Hieruit volgt dat appellant over de periode van 6 juli 1995 tot en met

11 april 1999 de in artikel 25 van de WW neergelegde verplichting niet is nagekomen.

5.3. De Raad is van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de door hem verrichte werkzaamheden van invloed konden zijn op zijn recht op WW-uitkering, en dat hij, gelet op de omvang van die werkzaamheden, in het geheel geen recht had op WW-uitkering. Door van die werkzaamheden geen juiste mededeling te doen aan het Uwv is appellant de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW niet nagekomen. Het niet nakomen van deze verplichting heeft er toe geleid dat het Uwv appellant ten onrechte een uitkering heeft verleend, zodat het Uwv terecht op grond van artikel 22a, eerste lid, onderdeel a, van de WW tot intrekking van de uitkering is overgegaan.

5.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

BvW