Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
07-31 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum tegemoetkoming op grond van de TOG. Terecht terugwerkende kracht van (slechts) een jaar verleend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/31 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van [Appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 december 2006, 06/2432 (hierna: aangevallen uitspraak);

in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Roermond (hierna: SVB),

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft op de daartoe bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 april 2008. Appellant is niet verschenen. De SVB heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1.1.Appellant, geboren in 1966, woont en werkt enkele decennia in Nederland, is in het bezit van internet en heeft op zijn verzoek (onderwijs)voorzieningen voor zijn in 1996 geboren gehandicapte zoon [naam zoon] verkregen. De ouderavonden van het speciaal onderwijs van [S.] heeft appellant niet bezocht.

1.2. In het vierde kwartaal 2005 heeft appellant op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (Stcrt. 1999/249; hierna: TOG) een tegemoetkoming aangevraagd in de onderhoudskosten van [S.]. Daarbij heeft hij vermeld dat hij niet eerder op de hoogte was (gesteld) van de TOG, ook niet toen [S.] in 2003 en 2004 speciaal onderwijs genoot.

1.3. De SVB heeft bij besluit van 23 maart 2006 appellant een tegemoetkoming toegekend met ingang van het vierde kwartaal 2004, d.w.z. met terugwerkende kracht van een jaar.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de toegekende uitkering op de grond dat de SVB en andere instanties hebben verzuimd hem tijdig persoonlijk te benaderen en te informeren omtrent de TOG. Voorts heeft hij aangegeven dat hij verhinderd was de ouderavonden van de school van [S.] te bezoeken (omdat zijn echtgenote werkte) waardoor hij wellicht informatie over de TOG heeft gemist.

1.5. De SVB heeft zijn in het besluit van 23 maart 2006 ingenomen standpunt - met vermelding van de bij en krachtens de TOG toepasselijke rechtsnormen - gehandhaafd bij besluit van 4 mei 2006 en dit in eerste aanleg nader toegelicht onder meer als volgt:

“Volgens het beleid van de SVB is er sprake van een bijzonder geval: (…)

Indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen én deze onbekendheid verschoonbaar was.

Dit beleid is in de jurisprudentie aanvaard (CRvB 13 maart 1984, RSV 1984/136 en 29 april 1993, RSV 1994/10 en11). Op grond van dit beleid wordt in elk voorkomend geval aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden bezien of het geval als bijzonder kan worden aangemerkt. Beoordeeld wordt of het complex van omstandigheden in onderlinge samenhang een bijzonder geval oplevert. Uit de stand van de jurisprudentie leidt de SVB af dat er in ieder geval géén sprake is van een bijzonder geval in geval sprake is van onvoldoende activiteit van de betrokkene dan wel enkele onbekendheid met de wettelijke bepalingen. (…) De SVB is van oordeel dat de aanvankelijke onbekendheid van eiser met het bestaan van de Regeling TOG2000 niet verschoonbaar is en dat eiser in staat was tijdig een aanvraag om tegemoetkoming krachtens de Regeling TOG2000 in te (laten) dienen. Dat [B.] reeds in de kwartalen gelegen vóór het vierde kwartaal 2004 een ontwikkelingsachterstand en een gehoorstoornis heeft - hoe verdrietig dit ook is - brengt hierin geen verandering.

Daarbij wenst de SVB te wijzen op het feit dat bij de invoering van de Regeling TOG (de voorloper van de huidige Regeling TOG2000) in 1997 ruimschoots bekendheid is gegeven aan de regeling. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is primair verantwoordelijk voor de voorlichting over de TOG-regeling. Echter omdat dit Ministerie bij inwerkingtreding nauwelijks bekend was met de doelgroep van de regeling, hebben het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de SVB en verschillende gehandicaptenorganisaties geassisteerd bij het opzetten van de voorlichting. Naast publicatie in de Staatscourant (1997, nr. 67) is in diverse voorlichtingsrondes informatie verstrekt aan onder meer belangenverenigingen van ouders van gehandicapte kinderen, aan scholen voor speciaal onderwijs, zoals ZMLK-, mytyl- en tyltylscholen en aan andere instellingen die op het terrein van gehandicaptenzorg werkzaam zijn (zoals SPD’n, medische kinderdagcentra en revalidatiecentra). Via persberichten is er aandacht besteed in diverse media. In 1999 is de nieuwe regeling TOG2000 in de Staatscourant geplaatst. Toen is wederom ruim bekendheid gegeven aan de regeling door informatie te verstrekken aan bovengenoemde scholen en instellingen en aan ouderverenigingen van gehandicapte kinderen. Ook daarna is vanuit het Ministerie van SZW op diverse wijzen informatie over deze regeling verspreid.

De SVB is ervan overtuigd dat eiser op de hoogte had kunnen zijn van (het bestaan van) de Regeling TOG2000. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat [B.] in het schooljaar 2001/2002 tot en met schooljaar 2004/2005 onderwijs heeft gevolgd op een speciale school, derhalve een instantie die middels voorlichting op de hoogte is gesteld van de Regeling TOG2000. Dat eiser destijds nimmer de ouderavonden heeft bezocht en zodoende ook niet middels deze gelegenheden op de hoogte is geraakt van het bestaan van de regeling, dient voor zijn verantwoordelijkheid te blijven. Wij wisten op voorhand natuurlijk niet dat de zoon van eiser gehandicapt was.”

2.1. In beroep heeft appellant zijn onbekendheid met de TOG herhaald. Ter zitting heeft hij gemeld dat hij geen auto rijdt en daarom niet naar ouderavonden kon.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 4 mei 2006 ongegrond verklaard. Met inachtneming van artikel 6 van de TOG en het beleid van de SVB heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant in een eerder stadium bekend had kunnen zijn met de TOG gezien de aan invoering van die regeling gegeven publiciteit.

4.1. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zijn in bezwaar en beroep geponeerde grieven herhaald en benadrukt dat hij niet, althans niet tijdig, op de hoogte was (gesteld) van het bestaan van de TOG.

4.2. De SVB houdt in verweer vast aan zijn besluit van 4 mei 2006.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In geschil is of de SVB bij de toekenning van de tegemoetkoming aan appellant terecht een terugwerkende kracht van (slechts) een jaar heeft verleend.

5.2. Ingevolge artikel 6 van de TOG wordt een tegemoetkoming toegekend op aanvraag. De tegemoetkoming kan niet vroeger ingaan dan een jaar voor de eerste dag van het kwartaal waarin die aanvraag werd ingediend, ook dan indien de ingevolge de TOG vereiste zorgafhankelijkheid al eerder was ingetreden.

5.3. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de TOG is het uitvoeringsorgaan - evenals onder meer in artikel 14 van de AKW en artikel 33 van de Anw is bepaald - bevoegd om in afwijking van de hoofdregel een meer dan een jaar te laat aangevraagde tegemoetkoming toe te kennen met terugwerkende kracht van meer dan een jaar, mits sprake is van een bijzonder geval. De SVB voert een uitvoeringsbeleid onder meer ter bepaling van omstandigheden die zich kwalificeren als een bijzonder geval. Dat beleid is, mede gelet op de systematiek van artikel 6 van de TOG, rechtens aanvaardbaar. De Raad heeft in gelijke zin reeds vaker geoordeeld, zowel ten aanzien van vergelijkbare wetsbepalingen als met betrekking tot artikel 6, derde lid, van de TOG. Ook heeft de Raad in zijn uitspraken van onder meer 28 oktober 2005, LJN AU 5217, 16 maart 2007, LJN BA 3061, 16 mei 2007, BA 6360 en 5 september 2007, LJN BB 6362 overwogen dat onbekendheid met een deugdelijk bekend gemaakte wettelijke regeling - als hier aan de orde - op zich zelf geen bijzonder geval oplevert.

5.4. De TOG is via zowel reguliere publicatie in de Staatscourant als op ruime schaal gegeven specifieke voorlichting deugdelijk bekend gemaakt. Dit komt ook naar voren uit de onderzoeksbevindingen in de brief van de Minister van SZW aan de tweede Kamer van 16 augustus 2001. Nu overigens niet is gebleken van bijkomende (buiten de risicosfeer van appellant gelegen) omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, kwalificeert de onbekendheid van appellant met de TOG zich niet als een bijzonder geval. De stelling dat de SVB ten onrechte heeft nagelaten zich in te spannen om mogelijke gegadigden individueel te traceren en te informeren vindt geen steun in het recht.

5.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. I. ’t Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) S.R. Sharma.

NB