Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
07-856 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Overschrijding vermogensgrens. Bankrekening ten name van appellant? Overgezet ten name van zijn ouders?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/856 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2006, 05/3900 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.J. van den Boogert, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Voor appellant is verschenen mr. Van den Boogert. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant (geboren [in] 1971) ontving ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Nadat uit onderzoek was gebleken dat appellant heeft nagelaten melding te maken van een op zijn naam staande (spaar)rekening heeft het College bij besluit van 10 december 2004 de bijstand van appellant over de periode van 5 november 2001 tot en met 23 mei 2002 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 5.782,70 (bruto) van hem teruggevorderd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant heeft nagelaten mee te delen dat hij beschikte over een vermogen dat hoger is dan het voor hem geldende vrij te laten vermogen.

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 21 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat appellant in de in geding zijnde periode houder was van een bankrekening bij de SNS Bank te [vestigingsplaats] ([banknummer]). Deze rekening is vele jaren eerder geopend door de ouders van appellant naar wie ook de rekeningafschriften werden verzonden. Zij waren geen gemachtigden van deze rekening. Op 5 november 2001 is de betreffende rekening omgezet van een SNS Keuze Deposito naar een SNS Klimrente Rekening. Van de zijde van de bank was bij deze omzetting [J.] (hierna: [J.]) betrokken. Het saldo op deze rekening was op de omzettingsdatum

€ 11.845,86,--. Op 12 mei 2003 is de SNS Klimrente Rekening opgeheven en het op dat moment aanwezige saldo overgemaakt naar een rekening op naam van de ouders van appellant.

Het College stelt zich op het standpunt dat appellant reeds op 5 november 2001 op de hoogte was van de in geding zijnde rekening en deze voor het College heeft verzwegen. Het is volgens het College niet aannemelijk dat appellant - die op dat moment meerderjarig was - niet betrokken is geweest bij de hiervoor genoemde omzetting van de rekening. Appellant daarentegen heeft hieromtrent aangevoerd dat niet hij maar zijn moeder voor de omzetting op 5 november 2001 heeft zorggedragen en dat hij pas op 12 mei 2003 wetenschap van deze rekening heeft gekregen omdat toen zijn handtekening nodig was voor de opheffing van deze rekening.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2007, LJN BA5324) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een meerderjarige betrokkene zowel de vooronderstelling dat de betrokkene met het bestaan van die rekening bekend is als de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

De Raad is van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. Het is appellant niet gelukt om van de bank verifieerbare gegevens te verkrijgen waaruit zou blijken dat niet hij maar zijn moeder de SNS rekening heeft omgezet. Naar het oordeel van de Raad had het bij het ontbreken van deze gegevens, en in het licht van de op appellant rustende bewijslast en risico op de weg van appellant gelegen te trachten een verklaring van [J.] te verkrijgen over de gang van zaken met betrekking tot de eerder vermelde omzetting van de rekening op 5 november 2001. De enkele verklaring van appellant ter zitting van de Raad dat het geen zin had [J.] te benaderen, omdat deze toch niet bereid zou zijn te verklaren dat zij, in strijd met de regels, zonder medeweten van appellant medewerking had verleend aan de omzetting door appellants moeder van de op naam van appellant gestelde rekening, acht de Raad onvoldoende. Indien zou zijn gebleken dat [J.] deze verklaring niet op schrift had willen stellen dan had appellant vervolgens nog de mogelijkheid ter beschikking gestaan [J.] op te roepen en haar als getuige een verklaring af te laten leggen. De Raad overweegt voorts nog dat de rechtbank terecht geen doorslaggevende betekenis aan de verklaring van appellants moeder heeft toegekend vanwege de familieband.

De hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting brengt met zich dat aan appellant over de periode van 5 november 2001 tot en met 23 mei 2002 ten onrechte bijstand is verleend. Het College was dan ook bevoegd de bijstand over deze periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) in te trekken. Het College heeft in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid tot intrekking van bijstand besloten. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan zodat het College bevoegd was om de over de genoemde periode gemaakte kosten van kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Het College heeft hierbij gehandeld in overeenstemming met zijn reeds eerder door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van dat beleid had moeten afwijken.

Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en E.J.M. Heijs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) W. Altenaar.

OA