Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
07-2161 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering met 20% gedurende 1 maand. Niet meewerken aan medisch onderzoek. Juiste kwalificatie van de gedraging? Juiste maatregel toegepast?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2161 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2007, 06/2405 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Hoogenraad, advocaat te Maassluis, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Voor appellante is verschenen mr. Hoogenraad. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggeman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 10 november 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2005 verlaagd met 20% voor de duur van een maand.

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

10 november 2005 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft meegewerkt aan een medisch onderzoek door Aob Compaz op 2 juni 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt onder meer dat het college, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet nakomt de bijstand overeenkomstig de verordening verlaagt, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge artikel 8 van de Afstemmingsverordening WWB van de gemeente Rotterdam (hierna: Afstemmingsverordening) behoort het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling tot de tweede categorie. Tot de derde categorie behoren onder meer gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren. Blijkens artikel 6 van de Afstemmingsverordening leiden gedragingen van de tweede en derde categorie ertoe dat tien procent respectievelijk twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand wordt verlaagd.

Blijkens het rapport van Aob Compaz van 18 augustus 2005 heeft appellante geweigerd mee te werken aan een medisch onderzoek. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat van appellante in redelijkheid mocht en kon worden gevergd dat zij haar medewerking aan het medisch onderzoek verleende. De Raad ziet niet waarom appellante uitsluitend door een psychiater dient te worden onderzocht. Het door haar ingebrachte rapport van psychiater dr. C.R. van Meer van 16 mei 2006 biedt daarvoor geen steun.

De Raad stelt voorts vast dat de in geding zijnde gedraging van appellante moet worden gekwalificeerd als het niet nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

Het College heeft de hiervoor genoemde gedraging gekwalificeerd als een gedraging die de inschakeling in de arbeid belemmert. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2006, LJN AY2200, heeft overwogen kan van een dergelijke gedraging echter pas gesproken worden als blijkt dat een betrokkene als gevolg van de door hem verweten gedraging concrete kansen op werk of concreet uitzicht op werk heeft verspeeld. Hiervan is de Raad op grond van de gedingstukken niet gebleken. Naar het oordeel van de Raad moet de opstelling van appellante worden aangemerkt als een gedraging van de tweede categorie, te weten het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waarbij ingevolge artikel 6 van de Afstemmingsverordening een maatregel past van 10% verlaging gedurende één maand.

Het besluit van 12 mei 2006 is dan ook naar het oordeel van de Raad in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van

12 mei 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

Uit het vorenstaande volgt dat het College gehouden was appellante op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB een maatregel op te leggen. Zoals hierboven is weergegeven, bepaalt de Afstemmingsverordening dat voor een gedraging uit de tweede categorie de maatregel geldt van een verlaging van 10% gedurende één maand. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het College ter zitting van de Raad gesteld dat het College uitgaande van een gedraging van de tweede categorie zou komen tot een verlaging van 10% gedurende één maand.

In hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Afstemmingsverordening, in welk geval van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien.

Voorts voldoet de maatregel aan het in artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening neergelegde afstemmingsvereiste.

Dit betekent dat met ingang van 1 december 2005 de bijstand van appellante gedurende één maand met 10% wordt verlaagd.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 mei 2006;

Bepaalt dat de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2005 wordt verlaagd met 10% gedurende één maand;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en E.J.M. Heijs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.E. Broekman.

OA